Print deze pagina

Ziektes

Zoals nu kanker en aids beangstigende ziektes zijn, zo waren dat in ons jaar 1834 de cholera en tuberculose. Zolang er ziekten zijn wordt er gezocht naar oorzaken en naar methodes om de ziekte te verhelpen.

Aderlaten

In ons verhaal over het Hunsingokanaal lazen we dat broodbakker Marten Jans Reukema zich na de spookverschijning in de grouden zich dadelijk bij Med.Doct. J.D. Schepers liet aderlaten.

In de oudheid, in de Middeleeuwen en tot in de 19e eeuw werd de aderlaatmethode toegepast bij ziekten waar geen andere therapie voor bekend was. En dat waren in die tijd heel veel ziekten. Men meende dat de mens vier humores (lichaamsvochten) had, namelijk bloed (sanguis), slijm (phlegma), zwarte gal (melanos chole) en gele gal (chole).

Ziekten werden veroorzaakt als deze vochten niet in balans waren en als men van een van deze vier vochten te veel had. Met een aderlating werd naar men dacht het evenwicht hersteld. Heel wat mensen zijn naar tegenwoordig wordt aangenomen door veelvuldig aderlaten eerder overleden dan anders het geval zou zijn geweest. Veel mensen zijn overleden aan infecties door het gebruik van niet-steriele instrumenten bij het aderlaten. Aderlaten werd op dermate grote schaal toegepast dat barbiers het deden als bijverdienste. De korte, rood-witte paal aan de gevel van de barbier symboliseert bebloede verband.


Cholera

In ons vorig verhaal over drankmisbruik schreven wij al over het in 1838 verschenen boekwerkje “Jenever erger dan de Cholera”. Of dat zo is valt te betwisten. Het belangrijkste kenmerk van cholera is ernstige diaree en uitdroging. De besmettelijke ziekte had zijn oorsprong in een grote epidemie die in 1817 in India uitbrak. In 1831 bereikte de ziekte Europa. In 1833 overleden er in Nederland 5.000 mensen aan cholera, in 1866 maakte een epidemie in Amsterdam 21.000 slachtoffers. In 1854 legde de Engelse arts John Snow voor het eerst de link tussen cholera en besmet water.

Tuberculose (TBC)

In de volksmond wordt tuberculose ook wel tering genoemd. In de periode dat er nog geen werkzame geneesmiddelen bestonden tegen tuberculose ontstond de afkorting TBC, of zelfs TB, die ook tegenwoordig nog wel worden gebruikt. De term 'witte pest' is ook wel eens voor tuberculose gebruikt. Voor de volledigheid; de zwarte dood, de pest, heerste van de 14e tm 19e eeuw. In Nederland was het laatste geval van pest was in 1667.

Wikipedia vertelt ons dat in 1900 ± 10.000 sterften per jaar waren (Nederland had toen 5 miljoen inwoners) en dat in 1882 de veroorzakende bacterie werd ontdekt. Niet is aangegeven sinds wanneer de TBC woedde. In ieder geval wel in 1834 zoals uit onderstaand verhaal blijkt.

TBC in het gezin Teenstra

Op de website van het Nederland Tijdschrift voor Geneeskunde trof ik een verhaal aan dat onze Marten Douwes Teenstra schreef in 1837 voor zijn kinderen; Eene aller kwaadaardigste longteering op het Ruigezand. Marten beschrijft hierin hoe in korte zijn diverse van zijn familieleden stierven aan de TBC. Zoals bekend hadden Marten Douwes zijn vader Douwe Martens Teenstra en zijn oom AEdsge Martens Teenstra het Ruigezand ingepolderd.

Nadat de polder klaar was, bouwden zij vlak bij elkaar twee boerderijen. Om voor hun boerderijen een goede uitweg naar het nabijgelegen Kommerzijl te krijgen, kochten zij land in de aangrenzende polder ‘De Noorderwaard’. Na de aanleg van de weg bouwden zij op dit land een nieuwe boerderij en deden deze over aan hun neef AEdsge Hindriks Siccama. Deze woonde daar met zijn zuster, die de derde vrouw werd van Douwe Martens Teenstra. Later huwde hij zelf Antje Ennes Vonk, die afkomstig was van een naburige boerderij.

Zo woonden daar in het begin van de negentiende eeuw deze twee broers en hun neef met hun gezinnen op drie bij elkaar gelegen boerderijen. Uit de kroniek blijkt dat er onderling veel en hartelijk contact was. De Teenstra's waren vooruitstrevende landbouwers, die regelmatig boerenzoons in huis hadden om bij hen het landbouwbedrijf te leren. Met een van deze leerjongens begint een trieste episode van enkele jaren die eindigt met het overlijden aan de ‘tering’ van de bewoners van deze drie boerderijen. De beschrijving hiervan is letterlijk uit de kroniek (bladzijden 154-160; 166-167) overgenomen, waarbij enkele niet ter zake doende gedeelten zijn weggelaten. Ter verduidelijking zijn tussen haakjes enkele woorden toegevoegd.

‘In het jaar 1816 woonde bij AEdsge Martens (Teenstra) een jongeling van 20 jaren met oogmerk van hem en zijne voogd om hier tot eene wetenschappelijke en geene werktuigelijke boer te worden opgeleid, waartoe dezelve dan ook eene bijzondere vlugheid en weetgierigheid bezat, dan Rembertus Eizo de Cock zusters zoon der eerste vrouw van Douwe (Martens Teenstra) een kundig en in onderscheidene wetenschappen ervaren jongmensch van een vrolijk en gezelligen aard, lang en tenger lichaam, kreeg eene aller kwaad aardigste longteering en na hier mede eenige weken ziek en bedlegerig op het Ruigezand te hebben doorgesukkeld begreep hij, om beter geneeskundige hulp te kunnen erlangen, naar Groningen te moeten worden gebragt alwaar hij echter den 7 December 1816 in den ouderdom van 21 jaren overleed.

Hoewel buiten zijne schuld, schijnt deze ongelukkige lijder den grondslag tot alle verdere hieruit voortgevloeide onheilen geweest te zijn, althans na hem deelde deze verdelgende longontsteking zich aan alle die met hem van nabij omgegaan hadden mede, zoo werdt dan ook AEdgse Martens (Teenstra) die veel voor het ziekbed van De Cock gezeten had om hem eenigen troost en gezelschap te verschaffen en hem zijne lijden dragelijk te maken al spoedig door dezelve aangetast, eene drooge kug met het opgeven van bebloede fluimen ging met eene aanhoudende en langdurige sukkeling gepaard, waaronder hij den 28ste December 1818 bezweek, latende eene zwangere vrouw en twee nog jonge kindertjes achter. Treffend was deze slag voor zijne weduwe en voor zijn broeder Douwe, twee kindertjes hadden zij reeds verloren, terwijl ook de twee nog levende kinderen geensins een sterk en gezond voorkomen hadden. AEdsge in den nog jeugdigen leeftijd van ruim 42 12 jaren overleden, werdt te Oldehove ten zuiden de kerk, en even ten oosten de kerkedeur begraven alwaar ook Jantje 1ste vrouw van Douwe begraven was. Zijne nagelatene weduwe verloste bijna 5 maanden na haar mans dood op den 22 Mei 1819 van een zoon welke naar zijn vader AEdsge Martens genaamd werdt;

De weduwe Fokeltje (Klaassens de Waard) hertrouwde later met den Wel Eerw(aarde) J(an) F(reerks) Boersema leeraar der doopsgez(inde) gemeente te Pieterzijl en overleed aldaar 14 Mei 1821 aan dezelfde teering ziekten. Hierna vertrok Boersema als Doopsgez. leeraar naar Midwolda in het Oldampt.

Een knecht van AEdsge Martens (Teenstra), Karel Richteren genaamd, welke men om zijn sterk en gezond lichaam de IJzeren Karel noemen zoude, en volstrekt geen tering achtig voorkomen had, paste zijn meester in deszelfs ziekte op, en het noodlottig gevolg hier van was dat deze sterke gespierde jongman aan dezelfde ziekte zijn meester weinige weken later volgde; Met deze Richteren had weder in eene naauwe omgang geweest – zijnde te Kommerzijl overleden – een jongeling Jakob Ennes Vonk broeder van Antje (Ennes Vonk) huisvrouw van AEdsge H. Siccama bij wien hij wonende was, ook deze werd door de teering aangetast en stierf in eene nog korteren tijd dan de vorige (twintig jaar oud op 11 juni 1821 te Enumatil), zoo dat het scheen dat deze besmettelijke longontsteking een kwaadaardig karakter aannam, – ook Antje werd dien ten gevolge bedlegerig en stierf den 21 Sept. 1821 op de nieuwe plaats van de Noorderwaard. – en vervolgens op haren echtgenoot overgegaan zijnde stierf AEdsge H. Siccama den 22 Maart 1823, nalatende drie weesjes, waarvan de eene mede zeer jong stierf, de twee overigen, AEdske en Enne, werden door de moeder van AEdsge H. Siccama te Oudwoude ter verzorging opgenomen.

De zuster van Siccama, Barber (H. Siccama) laatste vrouw van Douwe (Martens Teenstra), haren broeder in deszelfs ziekte, veel bezoekende vatte dezelfde kwaal, waaraan zij 6 weken later den 1ste Mei 1823 in den bloei haars levens van nog geen 31 jaren overleed.

Deze slagen troffen Douwe waardoor hij zoo spoedig achtereen volgend hun alle om zich zag wegvallen, op eene hartbrekende wijze. – beide zijne buren, zijne vrienden en vriendinnen, vrouw, broeders, zusters, neefs, nichten alles wat hem aangenaam en dierbaar was ontviel hem zoo plotseling. – daar stond hij geheel alleen! – (. . .)

Bij deze treffende sterfgevallen, gevoelde Douwe zich door de sterke daling der graanprijzen, en de vermindering der eigendomswaarde der landerijen, in een zeer benarden, en angstbarenden toestand, de ongehoorde daling der prijzen van alle landelijke voortbrengselen zoo wel van het vee, als van het bouwland veroorzaakte eene algemeene verslagenheid onder de Boerenstand en in zonderheid voor de landbouwers de(r) provincie Groningen. (...) Volgt een beschouwing over de ten gevolge van deze crisis slechte financiële positie van Douwe Martens Teenstra.) Dit vermeerderde dan ook zijne ziekte reeds bij het leven zijner vrouw geërfd en gevoeld, gelukkig dan, dat hij stil en zacht, verheven boven de lotgevallen dezer wisselvallige wereld, zijn oogen met een kalm gemoed op den 19 juni 1823 zeven weken na het overlijden zijner vrouw in den ouderdom van ruim 55 jaren voor altoos sluiten mogt.

Zoo waren dan allen uit deze drie huisgezinnen – AEdsge Martens (Teenstra) en vrouw, de Cock en Richteren, – AEdsge H. Siccama vrouw en vrouws broeder, – Douwe Martens (Teenstra) en vrouw tengevolge deze zoo aanstekende teering ziekte overleden, – wat was deze ander(s) zoo vrolijke en gezellige buurt in welke men zoo gulhartig als vertrouwelijk zoo hulpvaardig als vriendschappelijk met elkanderen omging, thans? – eene eenzame doodsche hoek waar alle hoofden des huisgezins met nog drie andere personen uitgestorven waren – 9 personen waren in zulk een kort tijdsverloop alle ten gevolge de teering de eeuwigheid ingegaan, Douwe werd bij zijne broeder te Oldehove alwaar ook zijne 1ste en 3de vrouw rusteden begraven en Siccama en vrouw te Grijpskerk.‘

Zoals uit het verhaal blijkt, werd de leerjongen Rembertus Eizo de Cock aan het eind van zijn ziekte naar Groningen vervoerd om daar betere geneeskundige verzorging te kunnen ontvangen. Hij overleed niet lang daarna in 1816 ten huize van een particulier in de Zwanestraat. Het enige jaren eerder opgerichte Academisch Ziekenhuis had maar enkele bedden, waar slechts arme patiënten werden verzorgd. De meer welgestelden werden thuis verpleegd. Het is mogelijk dat er enkele mensen meer aan de tering zijn overleden dan de kroniekschrijver aangeeft. De beschreven ziektegevallen laten zien hoe de samenhang van de gebeurtenissen 150 jaar geleden reeds werd opgemerkt, hoewel uiteraard over de echte oorzaak van de tering toen nog niets bekend was.

Jaap Tuma

bronvermelding:  wikipedia.nl; ntvg.nl 



Vorige pagina: Drankmisbruik Volgende pagina: Stemrecht