Print deze pagina

Stemrecht

Op 12 september 2012 waren er weer landelijke verkiezingen. De 6e keer in 10 jaar tijd naar ik ergens las; het zou goed kunnen. Niet iedere kiesgerechtigde maakt anno 2012 gebruik van het stemrecht.

Grondwet 1814

Na het vertrek van de Franse troepen eind 1813 werd de onafhankelijkheid van de Nederlanden hersteld. Prins Willem Frederik van Oranje-Nassau werd uitgeroepen tot vorst. Nog in hetzelfde jaar riep hij een commissie in het leven die een nieuwe Grondwet moest ontwerpen. Er werd een centralistische monarchie ingevoerd, waarin de vorst veel en de Staten-Generaal weinig macht had. Ook werden er vrijheden vastgelegd, zoals de vrijheid van godsdienst. De Staten-Generaal was nieuw en bestond toentertijd uit één Kamer met 55 leden. Van 1814 - 1815 (in het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden) was er één Kamer met 55 leden. Leden van de Staten-Generaal werden per provincie door de Provinciale Staten gekozen.

Grondwet 1815

Een belangrijke wijziging die in de Grondwet van 1815 werd doorgevoerd was de splitsing van de Staten-Generaal in twee Kamers, zoals we die ook vandaag de dag nog kennen. De Tweede Kamer stemt over wetsvoorstellen en mag die ook zelf indienen. De Eerste Kamer, in de grondwet van 1815 benoemd door de koning, mag alleen 'ja' of 'nee' tegen wetsvoorstellen zeggen. Ook in de nieuwe Grondwet hield de koning veel macht, bovendien bleef de mogelijkheid om de Staten-Generaal te omzeilen door zaken te regelen bij Besluit in stand. Er werden ook nieuwe grondrechten ingesteld, zoals de vrijheid van drukpers, het recht van petitie en de bescherming van de woning. De Zuidelijke Nederlanden zijn nooit blij geweest met het besluit van het Congres van Wenen. In 1830 bindt het Zuiden de strijd aan met het Noorden. Wat in juli 1830 begint als rellen, eindigt in september in een heuse strijd. Op 4 oktober 1830 wordt de zelfstandige staat België uitgeroepen, al in november wordt België door de Europese landen erkend. Willem I weigert de scheiding te erkennen. In augustus 1831 vindt de Tiendaagse Veldtocht plaats en is de scheiding van Nederland en België definitief. Pas in 1839 legt Willem I zich daarbij neer en aanvaardt het Scheidingsverdrag.

Grondwet 1840

Met de officiële scheiding van België moet ook de Grondwet herzien worden. Allereerst wordt de scheiding in de Grondwet vastgelegd. Ook wordt in de Grondwet opgenomen dat ministers vervolgd kunnen worden voor ambtsdaden die strijdig zijn met de Grondwet of andere wetten, dit is het begin van de ministeriële verantwoordelijkheid. Bovendien werd de verplichte ministeriële medeondertekening (het contraseign) van Koninklijke Besluiten ingevoerd. Bij de behandeling van de Grondwetsherziening in 1840 treedt voor het eerst Thorbecke op. Hij stemt in 1840 tegen alle voorstellen omdat hij vindt dat ze niet ver genoeg gaan.

Grondwet 1848

Zoals we in ons verhaal over Willem I lazen trok de koning-koopman zich niet zoveel aan van zijn ministers. Na het aantreden van zijn opvolger koning Willem II in 1840 vroeg in 1844 de Tweede Kamer om een grondwetwijziging waarop de koning aanvankelijk aangaf dat hij "dit voorstel nooit, al ware het schavot ernaast geplaatst" zou inwilligen. Maar sterk beïnvloed door revolutionaire gebeurtenissen in Europa in 1848 werd de geschrokken koning in één nacht van uiterst conservatief uiterst liberaal.

De nieuwe grondwet van 1848, uit de koker van de liberale J.R. Thorbecke [1798-1872], is maar een dun boekje, maar werd wel de basis voor het bestuur van Nederland. De belangrijkste zin uit de nieuwe grondwet is: De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. De ministers zijn sinds 1848 niet langer dienaren meer van de koning. Zij maken nu de wetten, zij nemen de besluiten en niet meer de koning. De koning kan niets meer doen zonder hun toestemming. De ministers zijn nu verantwoordelijk voor alles wat de koning doet. Zij hebben ministeriële verantwoordelijkheid. De koning blijft nog wel staatshoofd, maar hij verliest zijn politieke macht. De leden van de Eerste Kamer worden niet meer door de koning benoemd, maar door de leden van de Provinciale Staten. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de burgers, maar alleen door mannen die veel belasting (census) betalen. Daarnaast komen er rechten van amendement, onderzoek en inlichtingen. Vergaderingen worden openbaar. Er komt vrijheid van onderwijs, vereniging en vergadering, meningsuiting en drukpers, en nog een aantal wijzigingen.

Onschendbaarheid

Het begrip ‘onschendbaar’ betekent sinds 1848 dat de koning gebonden is aan het recht en de wet en zodoende niet ‘boven de wet’ staat. In de Nederlandse staat is er echter geen orgaan dat dwingend gezag aan de koning kan opleggen. De theoretische mogelijkheid bestaat dat de Hoge Raad de Koninklijke onschendbaarheid in een arrest nader verklaart en het staatshoofd evenzo gebonden verklaart aan het recht en de wet en vanuit dat arrest het staatshoofd dwingend gezag kan opleggen. De Engelse zin The king can do no wrong moet zodoende nu uitgelegd worden als dat de koning zich aan de grondwet zal moeten gedragen (wil hij boven de partijen kunnen staan). Het gevolg hiervan is dat de koning geen werkelijke (staatsrechtelijke) macht kan uitoefenen, omdat hij anders verzeild zou raken in politieke verwikkelingen en daarbij zelf partij zou kunnen worden.

Censuskiesrecht

Het kiesrecht anno 1848 was overigens alleen voor de ‘man met geld’ toegankelijk. Het basisidee achter het zgn censuskiesrecht is eenvoudig. Alle beslissingen van de wetgevende macht kosten belastinggeld. Enkel die personen die meer belastinggeld bijdragen aan de overheid dan gelden van de overheid ontvangen, onder de vorm van loon of uitkering bijvoorbeeld, mogen beslissen hoeveel belastingen de overheid heft en waar deze belastinggelden aan worden besteed. Want het is gemakkelijk dure beslissingen te nemen waarvan de kosten door iemand anders gedragen worden.

Tot aan de Grondwet van 1887 gold in Nederland het censuskiesrecht. Toen werd een artikel opgenomen dat het kiesrecht voor de Tweede Kamer voortaan uitgeoefend zou kunnen worden door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die door de Kieswet te bepalen tekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand bezitten. Vanwege de rekbaarheid van deze begrippen werd het artikel wel het caoutchoucartikel genoemd ('caoutchouc' was de toenmalige benaming voor rubber). Het caoutchouc-recht leidde tot een steeds grotere percentage van kiesgerechtigde mannen. Rond 1880 betaalde 12% van de mannen voldoende belasting om te mogen stemmen, in 1887 mocht 25% van de mannen stemmen, in 1895 had 50% van de mannen stemrecht. In 1917 werd het censuskiesrecht afgeschaft en vervangen door het algemeen kiesrecht, zij het dat alleen mannen actief kiesrecht hadden, vrouwen hadden slechts passief kiesrecht. Het was de uit Sappemeer afkomstige ‘koningin-moeder van het Nederlandse feminisme’, Aletta Jacobs [1854-1929], die het vrouwenkiesrecht in 1919 er door kreeg. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1922 bleken vooral de partijen die zich zo lang tegen het vrouwenkiesrecht hadden verzet, de protestantse en katholieke partijen, er groot profijt van te hebben. Het algemeen kiesrecht voor vrouwen en mannen werd met de grondwetswijziging van 1922 in de Grondwet opgenomen.

Onvrede

Na een jarenlange strijd hebben we nu kiesrecht, maar maken er niet altijd gebruik meer van. In 1834 was er onvrede. Onder andere in Ulrum waar een 14-tal heren de touwtjes in handen had. Heeft u ze nu zelf in handen?

 

Jaap Tuma

bronvermelding:

wikipedia.nl; schooltv.nl.; parlement.com.



Vorige pagina: Ziektes Volgende pagina: Feestdagen 4