Print deze pagina

Slavernij

In september en oktober 2011 liep op de zondagavond het tv-programma Holland Doc van de NTR over de slavernij. Ook op SchoolTV was het onderwerp actueel. In 1863 schafte Nederland de slavernij af. In ons jaar 1834 was slavernij dus nog “alledaags”.

Slavernij

Het is uiteraard niet de bedoeling om in onze rubriek genoemde programma’s te bespreken. We kunnen ons ook sterk afvragen of de slavernij wel een gespreksonderwerp was in het Ulrum van 1834. Veel mensen waren het dorp nooit uitgeweest en lezen en schrijven was ook voor de meeste dorpsbewoners vreemd. Voor velen zal de slavernij ver van het bed zijn geweest. Voor in ieder geval één persoon was dat absoluut niet het geval:

Marten Douwes Teenstra

Hij was een grote voorstander van afschaffing van de slavernij. Hij had gedurende zijn reizen de slavernij met eigen ogen aanschouwd. Zoals we van hem gewend zijn heeft hij deze ervaringen tot in detail beschreven. Veel auteurs na hem hebben gebruik gemaakt van zijn boeken over en vooral tegen de slavernij.

In een eerdere aflevering schreven we al hoe Teenstra - op zijn reis naar Java bij een tussenstop op Kaap de Goede Hoop – in 1825 getuige was van de verkoop van een aantal slaven. Met name de 13 jarige slavenjongen die zonder afscheid bij zijn oma werd weggerukt had Teenstra gegrepen. Nog dagenlang hoorde hij de weergalm van het wanhopige gejammer van de oude vrouw en het geschreeuw van de razende knaap.

De laatste blik, dien hij op de versteende vrouw sloeg onder de hartroerendste bewoordingen, deden ook mij de tolken der menschelijkheid, onder luide vervloekingen, uit de oogen springen, daar zijne weemoedige uitdrukkingen, nu en dan door het gevoel van zijn rampzalig lot afgebroken, top op den bodem van mijn hart doordrongen. Zoo handelen Christenen! – Christenen? (Deus annuat!! = Mag God mij vergewe!) Monsters! Minder dan honden – wreeder, dan tijgers! … waarna Teenstra nog een halve pagina zijn afkeer geeft over de gemaskerde huichelaars die den naam van Christenen niet verdient. Let wel; Teenstra geeft hier niet af op alle christenen of het christendom. Hij was (namelijk) zelf een erg gelovig man met een grondige kennis van de bijbel. Hij was doopsgezind en vrijmetselaar. En het stuitte hem dat (juist) christenen slaven zó behandelden.

In 1842 schreef Teenstra: Geen Rooverkapitein zal zijne ondergeschikte manschappen, die hij op den vijand veroverd en aan boord genomen heeft, wreeder behandelen, dan de Blanken, en vooral de Joden, dit de Negerslaven in Suriname doen. Velen zijn zelfs niet met de gruwelijkste straf te vrede, maar moeten de bloedige wonden ook nog peperen, en de ongelukkigen met een lagchend gelaat martelen. … De voorbeelden van nijd en wraak, aan Negermeiden gepleegd, omdat zij den meester niet te wille wilden zijn, zijn te ijsselijk, om letterlijk te beschrijven.

Daarbij hoopt dat hij vurig dat anderen met mij wenschen, dat de slavernij hoe eer hoe liever afgeschaft worde, al ware het ook, dat wij de suiker en de koffij wat duurder zouden moeten betalen.

Dat afschaffing van de slavernij niet zonder slag of stoot ging wist Teenstra uit ervaring:

Ik spreek hier, met het eigenbelang voorbij te zien, geheel in het belang der menschheid, en zal dus ook niet aarzelen, om de zuivere waarheid, op daadzaken gegrond, kenbaar te maken, opdat zulks, ware het mogelijk, ook iets moge toebrengen, dat de slavernij geheel moge vernietigd worden.

Ik weet het, veritas odium parit (de waarheid baart haat); in Suriname heb ik het reeds ondervonden, men zal mij, om deze menschlievende gevoelens, in de kolonie verachten, men zal mij een anti-kolonist of een regte ultraphilantropist noemen, omdat ik ook reeds vroeger het besluit, waarbij de onze den slavenhandel vernietigd hebben, openlijk geroemd en geprezen heb.

Cojo branti

In 1832 was Teenstra getuige geweest van een enorme brand te Paramaribo, die de geschiedenis in zou gaan als de Cojo branti. Jessica Melker schreef in d’Ollerommers van april en mei 2003 al over Teenstra in relatie tot zijn rol als kritische geest in Suriname en belangrijke voorvechter van de afschaffing van de slavernij. Haar interesse voor Teenstra was ontstaan wegens zijn interesse in de slaven Cojo, Mentor en Present, waar haar scriptie over ging.

“In de nacht van 3 op 4 september 1832 breekt er brand uit in het huis van Mozes Nunes Monsanto aan de Heiligeweg in Paramaribo. Het duurt lang voordat men de brand meester is en pas 's ochtends blijkt hoeveel schade de vlammen veroorzaakt hebben: 46 woon- en pakhuizen werden verbrand en om de brand te kunnen stoppen werden 13 gebouwen afgebroken en beschadigd. Het Hof van Civiele en Criminele Justitie start een onderzoek en in eerste instantie wijt men het ontstaan van de brand aan onvoorzichtigheid van de huisslaven van Monsanto. Doordat er echter nog meer brandjes worden gesticht en de inspecteur van bruggen, straten, wegen en waterwerken, Marten Douwes Teenstra, sporen van een wegloperskamp in het Picornobos, nabij Paramaribo, ontdekt, zoekt men verder. Op 4 oktober 1832 wordt de weggelopen slaaf Frederik opgepakt. In de dagen die volgen worden steeds meer weggelopen slaven gevangen die samen allerlei diefstallen gepleegd blijken te hebben. Op 2 november 1832 slaat Frederik door: hij bekent dat hij samen met Cojo, Mentor, Present en Christiaan, allen weggelopen slaven die inmiddels in Fort Zeelandia gevangen gehouden worden, de brand bij Monsanto aangestoken heeft. Meer verhoren volgen, meer bekentenissen worden afgelegd. Op 28 december 1832 denkt men het verhaal rond te hebben en procureur-generaal Ph. de Kanter besluit tot de volgende straffen: Cojo zal als hoofdschuldige opgehangen worden, omdat hij de leider van de brandstichters was. De rest zal afgestraft worden met tamarinderoeden en een bepaalde tijd in boeien geklonken voor het gouvernement moeten werken. Het Hof van Civiele en Criminele Justitie denkt er anders over: men vindt de straffen te laag en besluit dat de vijf hoofdschuldigen gedood zullen worden. Op 26 januari 1833 worden Cojo, Mentor en Present voor de ruïnes van het huis van Monsanto aan de Heiligeweg levend verbrand. Tom en Winst worden opgehangen en hun afgehakte hoofden worden op een stok gestoken.” [uit: scriptie Universiteit van Amsterdam, Jessica Melker].

Teenstra omschrijft in zijn in 1833 geschreven Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo de brand gedetailleerd:

Kwartier over 7 uren werd de brandstapel ontstoken, welke in minder dan vijftien seconden over deszelfs geheel in lichte laaije vlam stond, … Daarbij was deze doodstraf, volgens de in Suriname vrij algemeen heerschende gevoelens, in de gegevene omstandigheden volstrekt noodzakelijk, en voor eene Kolonie en slaven bevolking zeer gepast en doelmatig … De middelste paal stortte het eerste met een gedeelte van het lijk van Cojo in het vuur, zijnde toen ruim 9½ uren.

Censuur

In 1834 kwam Teenstra terug naar Nederland en vestigde zich in Ulrum. Jessica: Sommigen denken dat hij zijn vrouw en kinderen miste, anderen menen dat onenigheid met zijn superieuren de belangrijkste reden voor zijn vertrek uit Suriname was. Censuur van de versie van 1833 lijkt aannemelijk, waardoor Teenstra toch de behoefte heeft gehad het gehele verhaal te vertellen in 1842.

In de versie van 1842 beschrijft Teenstra ook hoe hijzelf een grote rol heeft gespeeld in het vinden van de daders van de brand, nadat ook bij hem zaken waren gestolen. Ik ben zo vrij me af te vragen of dat wellicht een rol heeft gespeeld in zijn verdere leven. Gezien alle afkeer die Teenstra had ten aanzien van de slavernij en het vorengenoemd doodsvonnis, kan ik mij voorstellen dat het aan hem knaagde dat in feite door zíjn onderzoek de slaven konden worden opgepakt en op een de gruwelen der barbaarsche middeleeuwen waardige wijze worden gedood. Dit eventuele schuldgevoel zou iets kunnen verklaren van Teenstra zijn frustraties en verbetenheid in zijn latere jaren, waaronder de Afscheiding.

Maar we zullen het wel nooit te weten komen.

JT

bron: www.hollanddoc.nl,  www.dbnl.org,

MD Teenstra; De vruchten mijner werkzaamheden, Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo, en De negerslaven in de kolonie Suriname.

Jessica Melker; d’Ollerommer april/mei 2003.



Vorige pagina: De Groninger dracht Volgende pagina: MD Teenstra 3