Print deze pagina

MD Teenstra 3

In het kader van haar afstudeerscriptie in 2001 over de slaven Cojo, Mentor en Present had Jessica Melker kennis gemaakt met het werk van Marten Douwes Teenstra. Op verzoek van Jan van Straten destijds heeft zij uitvoerig geschreven over Teenstra in de Ollerommers van april en mei 2003. We herhalen het hier graag.

Inleiding

Mijn naam is Jessica Melker en op dit moment [2003] ben ik boekverkoper bij Scheltema in Amsterdam. In september 2001 rondde ik mijn scriptie over Cojo, Mentor en Present af, drie slaven die in 1832 het mooiste en belangrijkste gedeelte van de stad Paramaribo (Suriname) in brand staken. Als straf werden zij levend verbrand. Toen ik tijdens mijn stage in Suriname over dit verhaal hoorde, kwamen er allerlei vragen bij mij boven. Wie waren die slaven? Wat bracht hen tot deze daad? En waarom werden ze zo streng gestraft? Met mijn onderzoek heb ik ‘de waarheid’ nooit kunnen achterhalen, maar ik heb wel een aantal vragen kunnen beantwoorden en een hoop interessante informatie gevonden.

Een van mijn belangrijkste bronnen voor deze informatie was Marten Douwes Teenstra die in 1832 als inspecteur van bruggen, straten wegen en waterwerken in Paramaribo aanwezig was. Hij is getuige geweest van de brand, heeft een belangrijke rol gespeeld bij het vinden van de daders, is bij de verhoren en de terechtstelling aanwezig geweest en heeft over dit alles een brochure uitgegeven. Vanwege zijn kritische kijk op deze gebeurtenissen mocht deze in Paramaribo niet uitgegeven worden zoals hij dat wilde. Daarom heeft hij in Nederland een uitgebreidere versie hiervan opgenomen in zijn boek De negerslaven in de kolonie Suriname. Mijn onderzoek naar de persoon Teenstra leidde mij naar Ulrum waar hij voor en na zijn vertrek naar Suriname woonde. Ik had inmiddels zoveel sympathie opgevat voor deze kritische geest dat ik mij afvroeg of er in Ulrum geen graf van hem te vinden was en of ik dat niet kon bezoeken.

Een artikel van J.S. van Weerden, die al eerder onderzoek heeft gedaan naar Marten Douwes Teenstra en verscheidene artikelen over hem gepubliceerd heeft, bevestigde mijn vermoedens. In een van zijn artikelen citeerde hij namelijk een alinea van Teenstra’s grafschrift.

Het was een grote gok om naar de VVV in Groningen te bellen en te vragen of zij iets wisten van een begraafplaats Snakkeburen te Ulrum. De mevrouw van de VVV wist niets, maar was zo vriendelijk mij het telefoonnummer te geven van de begrafenis-ondernemer van Ulrum: meneer Jan van Straten. Deze stond mij ook zeer vriendelijk te woord, maar toen hij ophing met de belofte het graf te zoeken , verwachtte ik toch niet nog iets van hem te horen. Groot was dan ook mijn verbazing toen hij ongeveer een maand later terugbelde met de mededeling dat hij het graf gevonden had. Het had zo lang geduurd, omdat het graf op een oudere begraafplaats ligt die niet meer in gebruik was. Hier was het echter wel het grootste en opvallendste graf. Een afspraak was snel gemaakt en op 5 april 2001 stapte ik samen met een vriendin uit de bus in Ulrum. Ik was nog nooit zo hoog in Groningen geweest. Samen met meneer Van Straten heb ik het graf bezocht en gefotografeerd. Het maakte een grote indruk op mij dat ik op deze manier toch nog zo dichtbij iemand kon zijn die twee eeuwen geleden dezelfde interesse voor de slaven Cojo, Mentor en Present had gehad als ik.

Na een bezoek aan de plek waar Teenstra’s huis had gestaan en een bord patat bij hem thuis, vroeg meneer Van Straten mij iets over Teenstra te schrijven voor d’Ollerommer, de dorpskrant van Ulrum. Het is er lang niet van gekomen, omdat ik na het afronden van mijn scriptie even helemaal genoeg had van het onderwerp en de computer. Maar nu ligt het artikel dan toch voor u. Wat u hieronder zult lezen is een beschrijving van de Teenstra die belangrijk is geweest voor mijn scriptie, dus in zijn rol als kritische geest in Suriname en belangrijke voorvechter van de afschaffing van de slavernij. Wat u waarschijnlijk zult missen is zijn rol als tegenstander van ds. Hendrik de Cock, de bekende predikant van Ulrum. Voor een beschrijving van deze Teenstra schiet mijn kennis echter tekort, misschien dat ik me daar ooit nog in zal verdiepen. Hopelijk bevalt de kennismaking u toch en doet het u zelfs misschien wel besluiten een bezoekje te brengen aan zijn graf.

Voor zijn vertrek naar Suriname

Marten Douwes Teenstra werd op 17 september 1795 geboren in de polder Ruigezand aan de Reitdiepsoevers in het noorden van Groningen. Zowel zijn vader Douwe Martens Teenstra (1768-1823) als zijn opa Marten Aedsges (1742-1806) verrichtten op het gebied van landbouw pionierswerk: Douwe Martens heeft samen met zijn broer het oostelijk gedeelte van het toen nog onbedijkte Ruigezand ingedijkt en Marten Aedsges ging tot een geheel andere bedrijfsvoering over dan altijd traditie was geweest; van de veehouderij ging hij over op de landbouw, waardoor hij veel meer geld verdiende. Op tienjarige leeftijd overleed Martens moeder, Jantje Luies Dijkhuis. Pas toen zijn vader hertrouwde, kreeg hij broertjes en zusjes. Het opgroeien als enig kind had hem geen goed gedaan. In Groningen worden volgens Van Weerden nog steeds verschillende anekdotes over hem verteld. Twee ervan zijn te leuk om niet te noemen:

In Martens tijd was de trekschuit het enige vervoermiddel van Ulrum naar de stad. Verschillende inwoners van Ulrum stelden echter hun reis naar de stad uit als zijn wisten dat zij met Marten zouden reizen. Zo probeerden ze te vermijden dat zij het mikpunt van zijn gepest werden.

En in een gezelschap waar Marten ook aanwezig was vertelde een notaris een keer een geschiedenis van een zoon die enig kind was en niets van zijn leven maakte. Natuurlijk moest Marten hierop reageren. ‘Nu ja,’ zei hij, ‘het is toch bekend dat enig-zoons nooit deugen. Zijt ge misschien ook enig-zoon, mijnheer de notaris?’ Gelukkig kon het hele gezelschap, ook de notaris, hierom lachen.

Opleiding

Douwe Martens liet zijn zoon het meest vooruitstrevende onderwijs volgen dat een boerenzoon in de tijd kon krijgen. (Douwe was sowieso een zeer vooruitstrevende man: hij bezat een koran en zijn bedsteewand had hij beschilderd met voorstellingen over geografie, geometrie en astronomie. Dirik Gardenier, de huidige bewoner van Douwes huis, zegt over de Teenstra’s: ‘Voor mij wijst deze belangstelling voor zo gevarieerde onderwerpen erop, dat de Teenstra’s in heel grote verbanden konden denken. Ze waren sterk in het zoeken van de samenhangen op deze wereld; hun leven ging niet verloren in onbeduidend kleine details.’)

Toen Marten vijf was werd hij in de kost gedaan bij een timmermans-herbergier in Munnikezijl. Hij volgde hier lessen van Sijtze Teunis die zeer enthousiast was over de onderwijsmethoden van de Friese predikant Johannes Henricus Nieuwold. Maar in 1806 vertrok Teunis uit Munnikezijl en eindigden de lessen.

Marten ging daarom in de kost bij een bakker in Wehe waar hij de lessen van meester Jan Gerrit Rijkens kon volgen. Deze schoolmeester had een goede reputatie en gaf les volgens de nieuwste inzichten en opvattingen: naast rekenen, schrijven en lezen kreeg Marten geschiedenis, aardrijkskunde en muziek. Marten was echter niet alleen slim, maar ook lastig. Hij had bijvoorbeeld meer belangstelling voor de kermis en schaatsen dan voor leren. Toen hij door meester Rijkens streng werd aangepakt liep hij weg.

Zijn vader probeerde het nog een keer en deed zijn zoon in de kost bij de predikant en schoolopziener Haratius Nieubuur Ferf te Bergum, ook een navolger van Nieuwold. Van hem leerde Marten de basisbeginselen van het Duits en het Frans. Hier kreeg hij echter ruzie met de echtgenote van zijn leraar en na driekwart jaar was hij weer thuis.

Blijkbaar had Douwe Martens er nu genoeg van: Marten moest voortaan meehelpen op de boerderij en alle dagen ’s morgens na het melken rekensommen maken. ’s Avonds ging hij naar een school in Kommerzijl.

Op zestienjarige leeftijd werd Marten opnieuw uit huis geplaatst voor zijn opleiding, bij dominee Hoffman in Middelstum. Hij kreeg hier van de dorpsonderwijzer les in algebra en wiskunde en de dominee zorgde ervoor dat hij zijn huiswerk deed. Omdat de dominee meer jongens in huis had, vond Marten het hier wel gezellig.

Na nog een half jaar winteronderwijs in Grijpskerk vond Douwe Martens dat zijn zoon genoeg had geleerd. Marten sloot zijn schoolopleiding in 1815 af met een reis naar Holland in gezelschap van Jacobus Albertus Uilkens, een vriend van zijn opa met wie hij samen een departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen had opgericht. Uilkens had als afgevaardigde van de Commissie van landbouw een vergadering in Den Haag. Marten deed de grote steden Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft en Rotterdam aan en ontmoette daar enkele bekende Nederlanders, zoals de landhuishoudkundige Jan Kops en de natuurkundige Johannes Buijs en Jacob George Bacot. De reis was een ‘kleine toer’: hij bekeek het paleis op de Dam, de St. Bravo in Haarlem, het Museum voor Natuurlijke Historie in Amsterdam; hij bezocht Felix Meritis, de graven van Willem van Oranje, Michiel de Ruyter, Van Galen, Van Heemskerck, Maarten Tromp en Piet Hein, de standbeelden van Desiderius Erasmus en Laurens Janszoon Coster en de plaats waar de gebroeders De Witt vermoord waren. Kortom, deze reis was de afsluiting van een opvoeding vol met idealen en opvattingen van de Verlichting en de vroeg negentiende-eeuwse Romantiek. Uit een uitgebreid verslag dat Marten later van de reis maakte, bleek hoe belangrijk hij deze ook zelf voor zijn vorming heeft gevonden.

Na zijn studie

Op eenentwintigjarige leeftijd trok Marten in bij zijn oom Bronno Luies Dijkhuis, een broer van zijn moeder, die op de boerderij Onrust in Hornhuizen woonde. Het boerenleven trok hem meer aan dat het studentenleven en als zoon van een aanzienlijk landbouwer beschikte hij over redelijk wat geld en veel vrije tijd. Hierdoor was hij in staat allerlei reisjes te maken en andere leuke dingen te doen. Bovendien nam hij het initiatief tot het oprichten van een departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in Leens, waarvan hij zelf secretaris werd. Regelmatig hield hij voor de leden een inleiding.

In 1818 trouwde hij met Gezina Debora van der Leij en vestigde hij zich in een klein plaatsje onder Ulrum. Ook hier had hij veel vrije tijd: hij jaagde en las veel boeken.

Als dichter van de gelegenheidsverzen genoot Teenstra in zijn omgeving een zekere bekendheid. Toen bijvoorbeeld door de dorpsgezinde gemeenschap in de Marne een nieuwe kerk in Mensingeweer werd gebouwd, vroeg men Teenstra de tekst voor boven de ingang te schijven. In dit gedicht formuleerde hij uitdagen zijn godsdienstopvatting:

Treed binnen sterfling, wie ge ook zijt

Hier vraagt men niet, wat gij belijd

Als mensch zijt gij reeds onzen broeder

Natuur is onzer aller moeder

En God de vader van ons allen

Ziet menschenmin met welgevallen.

Natuurlijk ging het kerkbestuur met deze tekst niet akkoord, want deze klonk ‘te maçonniek en te vrij’. Teenstra had dit gedicht dan ook geschreven onder invloed van zijn bezoeken aan de vrijmetselaarsloge in Groningen. Hier meende hij zijn godsdienstopvatting, een bewust buitenkerkelijk christendom, gerealiseerd te zien.

Arion

In 1818 meldde de Commissie van landbouw dat het er met de Groninger landbouw nog nooit zo goed had voorgestaan. In deze optimistische stemming kocht Teenstra in 1819 een oude boerderij in Den Andel, waarvan het land in de in 1811 bedijkte Noordpolder, aan de Groninger Waddenkust, lag. Hij noemde deze boerderij Arion, naar de zoon van Neptunus (god van de zee) en Ceres (godin van de landbouw), een samensmelting van zee en akkergrond dus. Vanaf nu zou hij als landbouwer de familietraditie voortzetten. In 1819 zette echter ook zeer plotseling een scherpe daling van de graanprijzen in. Dit zou het begin zijn van een lang aanhoudende landbouwcrisis waardoor veel boeren met grote investeringen, hoge leningen en vaste huren in de problemen kwamen. Martens vader was een van hen: toe hij in 1823 stierf, was zijn bezit met grote schulden belast. En ook Marten zou het niet redden. Hij had de oude boerderij met land gekocht toen de prijzen nog zeer hoog lagen. Het afwerken van het land, door het regelen van een afwatering, het graven van sloten en het verdelen in percelen, had veel geld gekost en het bouwen van een grote schuur was veel duurder uitgevallen dan gepland. Bovendien was de eerste oogst zeer slecht.

Teenstra was niet de enige met dit soort problemen en de Groninger boeren richtten zich steeds meer tot de overheid voor steun. Teenstra deed mee aan verschillende rekwesten gericht aan koning Willem I. In 1824 mocht hij een van deze rekwesten persoonlijk bij de koning toelichten. Teenstra greep zijn kans en vroeg de koning toestemming om naar Oost-Indië te reizen en te onderzoeken of het mogelijk was daar de Nederlandse landbouw toe te passen, een plan dat zich had gevormd tijdens gesprekken met de Raad van Indië, mr. H.W. Muntighe, een oud-Groninger. De koning vond dit een goed plan en na een tweede bezoek ontving Teenstra van hem een aanbeveling. In een afscheidsbrief aan zijn familie en vrienden beschreef hij zijn redenen om naar de Oost te gaan en gaf hij een opsomming van zijn tegenslagen. Iedereen begreep zijn besluit, maar toen zijn buren hem op de dag van vertrek met een gewone boerenveldwagen kwamen afhalen, zei zijn vrouw: ‘Zie, daar komt uw lijkwagen de polderweg langs.’Zij zou samen met haar broer de boerderij beheren.

Oost-Indië

Op weg naar Oost-Indië moest Teenstra wegens een reumatische aandoening vier maanden aan de Kaap verblijven. Zijn verblijf in Indië werd ook geen succes: er was een nieuw bestuur aangetreden, waardoor zijn aanbevelingsbrieven van de koning en Muntinghe waardeloos en een baan als ambtenaar onbereikbaar werden. Zijn financiële positie was echter niet zodanig dat hij zonder werk in Indië kon blijven en armer dan ooit keerde hij in 1826 naar Groningen terug. Zelfs Arion moest hij verkopen. Samen met vrouw en kinderen ging hij in Baflo wonen, waar hij zijn reisbrieven (1828-30, over zijn reis naar de Kaap en Oost-Indië) schreef en een tijdje gemeente-ontvanger was.

Suriname

Twee jaar na zijn thuiskomst stuurde de Nederlandse overheid hem als rijkscultivator (landbouwkundige) naar Suriname. Hij verbleef daar zes jaar (1828-1834): de eerste vier jaar als landbouwkundige, later als inspecteur van bruggen, straten, wegen en waterwerken in Paramaribo en omgeving.

In Suriname was dringend behoefte aan een landbouwkundige, omdat de economische toestand steeds slechter werd en landbouw, veeteelt en bosbouw de basis vormden van de welvaart. Steeds meer plantages werden verlaten en de geringe opbrengsten maakte het moeilijk voor de overgebleven plantages geschikte directeuren te vinden. Teenstra vond daarom dat er meer samenwerking tussen de verschillende planters moest komen. Met dat doel richtte hij op 22 mei 1829 het Surinaamsch Landbouwkundig Genootschap op, waarvan mr. E.L. Baron van Heeckeren (gouverneur-generaal tijdens de brand van 1832) voorzitter werd. Tijdens bijeenkomsten van het genootschap werden landbouwkundige problemen besproken en studieobjecten ter hand genomen. Verder maakte het genootschap zich verdienstelijk door voorlichting, het aanmoedigen van landbouwkundige proeven tot verbetering van gewassen en het uitschrijven van prijsvragen. Teenstra had in dit alles een groot aandeel en in zijn ideeën komt duidelijk zijn optimisme naar voren. Zo wilde hij op een heel praktische manier het veebestand verbeteren en veredelen, omdat vlees, melk en andere zuivelproducten een veel hogere voedingswaarde dan gezouten vis hadden. Vooral de slaven moesten volgens hem meer vlees en melk krijgen. Commissaris-generaal Johannes van den Bosch (de latere gouverneur-generaal van Nederlands-Indië) droeg Teenstra in 1828 op de rijkdom van de bossen te onderzoeken. Teenstra’s verblijf in Suriname gaf hem aanleiding tot het schrijven van verschillende werken over deze kolonie en West-Indië in het algemeen. Veel auteurs na hem hebben gebruik gemaakt van zijn boeken over en vooral tegen de slavernij. In de laatste periode van zijn leven schreef hij vooral kronieken en almanakken, maar deze waren niet altijd betrouwbaar. Opvallend is dat hij in Suriname alleen de brochure over de brand heeft uitgegeven. De rest van zijn publicaties zijn na zijn terugkomst in Nederland uitgegeven en hij kon van het geld dat hij hiermee verdiende en van het geld van zijn vrouw zonder zorgen leven.

Censuur

De belangrijkste reden voor het kleine aantal publicaties in Suriname is waarschijnlijk de censuur geweest. Censuur heeft in Suriname eigenlijk altijd bestaan. De eerste in Suriname uigegeven krant verscheen op 10 augustus 1774 en nog geen tien jaar later werd er gedreigd met maatregelen tegen de pers. Van censuur in de tijd dat Teenstra in Suriname was, wordt eigenlijk alleen gesproken door Teenstra zelf. In allerlei werken baseert met het bestaan van maatregelen tegen de pers aan het begin van de negentiende eeuw op zijn opmerking da ‘[hij] zelfs de drukpers in Suriname, gelijk alle dagbladen dier kolonie onder een strenge censuur houdt, want “in een land van domheid en slavernij passen geene denkbeelden van verlichting en vrijheid te worden ontwikkeld”. Waarmee Teenstra doelde op zijn baas, procureur-generaal Philippus de Kanter, die het volgens hem niet nodig (en misschien zelfs wel gevaarlijk) vond om in de dagbladen van de kolonie Suriname over vrijheid en verlichting te schrijven. Bevestiging hiervan vond Ph.A. Samson, schrijver van het artikel ‘Preventieve maatregelen tegen de pers in Suriname’, nergens. Wel werden soms in de kranten en bladen uit die tijd hele kolommen weggelaten; die teksten waren dan door de censuur verboden. Zo staat er in het Algemeen Nieuws- en Letterkundigblad van 20 december 1842 onder de kop ‘Ingezonden’ anderhalve kolom wit.

Dat Teenstra zelf last heeft gehad van censuur in Suriname is zeker. In zijn brochure over de brand stond veel minder informatie dan hij zelf had gewild. Opmerkingen en tegenwerking van de kant van procureur-generaal De Kanter en zijn assistent, gouvernements-secretaris G.A. van der Mee, deden hem besluiten ‘datgene in het licht te geven, wat ik er alstoen slechts van geven konde’. Terug in Nederland gaf hij het nog een keer uit, nu al hoofdstuk in De negerslaven in de kolonie Suriname. Het eerste dat opvalt als je deze twee werken naast elkaar legt, is dat ze voor verschillende lezersgroepen bestemd waren. De brochure is geschreven voor de inwoners van Paramaribo, als een soort herinnering aan de brand, het hoofdstuk in De negerslaven in de kolonie Suriname is bestemd voor een Nederlands publiek. Dit publiek is niet bekend met de omgeving, de inwoners en de omstandigheden in Suriname en er wordt dus meer uitgelegd en minder afgekort. De tweede ontdekking is dat er in De negerslaven in de kolonie Suriname een hele paragraaf toegevoegd is. Voor het publiceren van deze paragraaf, die een soort samenvatting van de verhoren geeft, heeft Teenstra in Suriname vast geen toestemming gekregen. Waarom niet? Was er nog te weinig tijd verstreken tussen de verhoren en het publiceren ervan? Dat Teenstra ze wel in handen heeft gekregen wijst volgens mij op het tegendeel. Bovendien waren het verhoren van slaven die al dood waren, dus wat privacy betreft werd er waarschijnlijk niet moeilijk gedaan. Hadden de leden van het Hof van Civiele en Criminele Justitie iets te vrezen? Of vond Teenstra zelf de situatie te gevaarlijk? Allemaal vragen die niet met zekerheid beantwoord kunnen worden, maar waarschijnlijk hebben de procureur-generaal en zijn assistent druk op Teenstra uitgeoefend om deze paragraaf niet in de brochure op te nemen. Na de brand was het al zo onrustig in de stad: men had gezien dat tegen een brand niets te beginnen viel (houten huizen, slecht functionerende brandweer) en was verschrikkelijk bang voor een opstand van de slaven. Teenstra’s brochure moest een herinnering aan de brand worden, geen kritisch geschrift dat misschien wel de slaven zou opruien.

Weg uit Suriname

Vanuit Suriname maakte Teenstra twee maal een reis naar de Antillen (in 1828 en 1833). In 1834 keerde hij terug naar Nederland. Sommigen denken dat hij zijn vrouw en kinderen miste, anderen menen dat onenigheid met zijn superieuren de belangrijkste reden voor zijn vertrek uit Suriname was. Teenstra stond bekend als bekwaam en ijverig, maar ook als ‘zeer eigengereid en al te licht geneigd tot scherpe kritiek’. Zijn werken staan inderdaad vol met afkeuringen en hij laat zich  ook regelmatig uit over conflicten die hij heeft met zijn baas, procureur-generaal De Kanter. In een voetnoot in De negerslaven in de kolonie Suriname staat het volgende:

De tegenwoordige procureur-generaal Ph. De Kanter (het doet mij leed en ik spreek met allen eerbied van dien anders beroemden en geachten man), is een lang, mager man, met een zeer terug stootend voorkomen; hij heeft een lang, duister Duc d’Alba’s gezigt, tevens veel gelijkende op Hudson Lowe, een torie van de behoudende partij, (notabene van ijzers en kluisters); een man bij wien, misschien door den dagelijkschen omgang met fielten en boosdoeners, de fijne draden van het menschelijk gevoel schijnbaar zijn afgebroken; een man, die blijken geeft een vijand te zijn van algemeene verlichting en beschaving.

Ook in het hoofdstuk over Cojo, Mentor en Present in dit boek proef je de onenigheid die er geweest moet zijn tussen Teenstra en zijn superieuren. Ik denk dat zijn afwijzende houding ten opzichte van de slavernij en zijn medeleven met het lot van de slaven, dat hij ook door laat schemeren in zijn brochure over de brand, hiervan de grootste oorzaak waren. Hij zegt ook zelf: Ik weet het, veritas odium parit (de waarheid baart haat); in Suriname heb ik het reeds ondervonden, men zal mij, om deze menschlievende gevoelens, in de kolonie verachten, men zal mij een anti-kolonist of een regte ultraphilantropist noemen, omdat ik ook reeds vroeger het besluit, waarbij de onzen den slavenhandel vernietigd hebben, openlijk geroemd en prezen heb.

Terug in Nederland

Terug in Nederland voegde hij zich bij zijn gezin dat inmiddels in Ulrum woonde. Hij gaf zijn huis de naam ‘Noord-Indië’. Korte tijd was hij directeur van een ingedijkte polder op Texel; daarna is hij gaan schrijven. Hij heeft in verscheidene adressen aan de Tweede Kamer en andere geschriften de slavernij in Suriname beschreven en voor de afschaffing ervan gepropageerd. In de eerste helft van de jaren vijftig stuurde Teenstra bijna elk jaar een rapport aan de Tweede kamer, waar in die tijd ook W.R. baron van Hoëvell strijd tegen de slavernij voerde.

 

Hij stierf op 29 oktober 1864, 69 jaar oud, en is begraven op het kerkhof op Snakkeburen in Ulrum. Zijn grafschrift luidt:

 

Ter gedachtenis aan Marten Douwes Teenstra,

Oud Indisch ambtenaar,

Geboren op het Ruigezand

17 september 1795,

Overleden te Ulrum,

Den 29 october 1864.

 

Hier staat zijn laatste koffer,

In ’t stille graf,

Het stof behoort aan ’t stof,

Hij lei zijn reiskleed af.

 

Maak u in nedrigheid,

Door liefde en deugd bemind,

Vertrouw op God – hij is

Uw vader – gij zijn kind.

 

D’onsterfelijke geest

Met hoop en geest verwant,

Reikt boven het begrip,

Van ’t menschelijk verstand.  

   

 

 

Jessica Melker, april/mei 2003.

 



Vorige pagina: Slavernij Volgende pagina: Koning Willem I