Print deze pagina

MD Teenstra 2

In het vorige artikel lazen we de visie van uitgever M.A. van Seijen op Marten Douwes Teenstra. En over Teenstra zijn “vergeefse” reis naar de Oost (Java). Nu een verhaal van zijn reis naar de West (Suriname) en daarna .

Suriname
Op 24-7-1826 kwam Teenstra terug op zijn boerderij Arion te Baflo bij zijn vrouw en vier kinderen. Toen bleek hoe moeilijk de financiële positie van Teenstra was geworden; hij zou zich niet kunnen handhaven als zelfstandige boer. Op 21-8-1826 werd Arion publiekelijk verkocht voor de som van 21.000 gulden. In 1820 was het door Teenstra gekocht voor 100.000 gulden. Na de verkoop van Arion ging hij met vrouw en kinderen in Baflo wonen, waar hij zijn reisbrieven schreef. Hij woonde er slechts 1,5 jaar. In 1827 werd hij gemeente-ontvanger. Maar de inkomsten bleken niet toereikend. Teenstra zocht zijn geluk weer overzee; in 1828 vertrok hij naar Suriname. Zijn gezin trok naar Ulrum in het door zijn schoonmoeder in 1820 gebouwde huis op Louten. 

Teenstra ging in 1828 te Suriname werken als landbouwadviseur. Al snel daarna werd hij inspecteur van bruggen, straten, wegen en waterwerken en kreeg daarbij ook opsporingsbevoegdheid, wat eigenlijk onder het gezag van de procureur generaal viel. Teenstra was een fervent tegenstander van de slavernij. Hij was in Paramaribo ten tijde van de grote stadsbrand van 1832. Bij deze brand werden ca. 60 huizen en een kerk verwoest in het stadsdeel tussen de Waterkant, de Heiligenweg, de Maagdenstraat en de Steenbakkersgracht. De brand bleek aangestoken door weggelopen slaven. Vijf van hen werden tot een wrede dood veroordeeld: Codjo, Mentor en Present werden levend verbrand, Winst en Tom werden opgehangen. Een vonnis, 'de gruwelen der barbaarsche middeleeuwen waardig', aldus Teenstra.

Toevallig kwam ik ook een verslag uit de Ollerommer tegen uit 2003. Jessica Melker uit Amsterdam had voor haar scriptie het graf van Teenstra bezocht, geïnteresseerd als ze was geworden naar de man die in 1832 dezelfde interesse had gehad voor de slaven Cojo, Mentor en Present, waar haar scriptie over ging. Waren het criminele brandstichters of verzetsstrijders tegen de slavernij?  

Teenstra te Ulrum
Zes jaar na zijn vertrek naar Suriname kwam in 1834 Teenstra terug naar Nederland. Teenstra vestigde zich bij zijn gezin en schoonmoeder aan de Louten te Ulrum, welk huis hij Noord Indië noemde. Het was juist het jaar waarin de kerkelijke twisten hun hoogtepunt bereikten. Daar heeft hij ook wel een steentje aan bijgedragen; het pamflet “Ulrum, zooals het is en deszelfs toenemende volksbewegingen in October 1834” was van zijn hand, zo bleek uit onderzoek van J.S. van Weerden. Opvallend is ook dat Teenstra zelf geen lid van deze kerk was; hij was Doopsgezind en vrijmetselaar.

In Ulrum schreef Teenstra vele boeken, gedichten, kronieken, almanakken  en andere publicaties Hij schreef onder andere “De Ned.West-Indische eilanden”, De negerslaven in Suriname”, De Overzeesche bezittingen”, Chronologisch overzicht van 1795-1815 voor Groningen, Friesland en Drente”, “Hans Hannekemaaier” en De Kinderwereld”.
Mede door de uitgave van zijn Landhuishoudkundig almanakken verkreeg hij in wijde kringen grote bekendheid.
Teenstra was ook de initiatiefnemer tot het oprichten van een departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in Leens, waarvan hij zelf secretaris werd.  

Volksverhalen en Legenden
We gaven al aan dat Teenstra in zijn boeken ook over Ulrum schreef. En met felle bewoordingen naar de mensen en zeker ook naar zijn dorpsgenoten.

In het pamflet “Ulrum, zooals het is” [1834] omschrijft Teenstra de vrouw van De Cock, Frouwe Venema, als zijn keukenadjudant, “zijne Xantippe…eene helleveeg en een stokebrand van een wijf, zoo als er zelden van de hoogescholen der Rederijkers, de oorlogsschepen voor de mannen, en de visch- en groentemarkten voor de vrouwen,  komen.”

In zijn boek Volksverhalen en Legenden [1843] schreef Teenstra in zijn voorwoord onder andere; “Thans vraagt men niet meer: wat gelooft gij? maar wel wat doet gij? en dit laatste is bij velen zeer ellendig, zoo dat doen en gelooven geen de minste overeenstemming hebben en het laatste dikwijls niets anders dan een voorgegeven iets is, en daardoor geen het minste vertrouwen verdient, of het zoude waarheid moeten zijn, dat zij daadwerkelijk gelooven zo als eene getrouwde vrouw, eene der ware fijnen, mij onlangs zeide: “de hoeren zullen ons voorgaan in het Koningrijk ter hemelen”.
Op eene katechisatie te Ulrum, werd door den prediker bij de Separatisten, onlangs aan de kinderen, ja, aan de kinderen, geleerd dat Jezus een vriend was van de H… Ik bloos van verontwaardiging, het is mij te laag, te gemeen, om zulke godtergende lasteringen en verknoeijingen hier neder te schrijven, en acht het beneden mij om verder tot de wartaal dier krankzinnigen af te dwalen. Deze van de bakkrianen en Cocksianen afscheidene secte noemt zich Synodaal: zouden onze Dordsche vaders dit dan ook geleerd hebben? … De schrijver en verzamelaar dezer Legenden en Volksverhalen [Teenstra dus] woont te Ulrum, hetwelk de lezer dus als de hoofdzetel van het ergste piëtismus en bijgeloof op het oog gelieft te houden… Te Ulrum alwaar het driest gemeen nog steeds aan spoken en duivelskunsten gelooft, alwaar de reeds vroeger in de kerk bedorvene fijnen zich als afgescheidenen van deugd en goede werken, afzonderen, en dikwerf in het duister (hetgene zij zoeken) bijeenkomsten houden, om zich in een stil uur aan allerhande ongeregtigheden, godslasteringen, omhelzingen en onkuischheid toe te geven, en waarvan te Ulrum, in meer dan een huis, het levende Corpus delicti voorhanden is, terwijl het tevens een daadzaak is, dat alle onechte kinderen van de hier in kwartier gelegen hebbende soldaten, vrome, zoogenaamde Cocksiaansche moeders hadden, waarvan nu (1840) nog eenigen (zoo men zegt, zeven) in leven zijn. … De vrome te Ulrum, die zoo Dordsch gezind zijn, doen het voorkomen als of de genade door het bedrijven van zonde moest worden verkregen…


Het zijn maar 7 zinnen! Zinnen waaruit nog zoveel haat en afkeer kan worden herleid wat bijna 10 jaar na de Afscheiding nog steeds een enorme boventoon moet hebben gevoerd bij Teenstra. In vele werken van Teenstra is deze afkeer te speuren. Nog in 1862 werd in een toneelstukje van zijn hand,  “Voorbereiding en Afloop van een Ommelander Schoolexamen, Dramatisch tafereel in twee bedrijven” met tastbaar welgevallen “Frans de Fijne” naar voren gebracht, die minder sympathieke handelingen door een overvloedig gebruik van bijbelteksten tracht goed te praten.

Marten Douwes Teenstra is op 29-10-1864 op 69 jarige leeftijd gestorven. Hij ligt begraven op de oude begraafplaats aan Snakkeburen. Zijn graf is in 2008, evenals de andere graven daar, door een aantal dorpsbewoners opgeknapt.


JT

bronvermelding:
De Indische Reis, J.S. van Weerden.
Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.

 



Vorige pagina: MD Teenstra 1 Volgende pagina: Andere namen