Print deze pagina

MD Teenstra 1

Een fel tegenstander van dominee De Cock was Marten Douwes Teenstra. Via Marktplaats kon ik een boek bemachtigen waarin vier van zijn boeken in herdruk zijn uitgegeven [uitgeverij M.A. van Seijen, Leeuwarden 1973]. Een boek van ± 1000 pagina’s welke ik dan ook niet volledig gelezen heb. Maar in het boek staan ook specifieke verhalen over Ulrum, en deze zijn het vermelden hier zeker waard. Allereerst wat informatie wie Teenstra was.

Marten Douwes Teenstra (1795-1864)
Teenstra was afkomstig uit een rijke boerenfamilie. Hij was de zoon uit het eerste huwelijk van Douwe Martens Teenstra en Jantje Luies Dijkhuis en de kleinzoon van de befaamde Marten Aedsges [door wie de Ruigezandsterpolder was aangelegd, zie ook deel 1, JT], naar wie hij ook vernoemd is.

“Een zeer merkwaardig man moet het geweest zijn.” schrijft M.A. van Seijen (de uitgever) in augustus 1973 in zijn voorwoord van de verzamelbundel. “Een man die aanvankelijk voor het boerenvak te zijn grootgebracht, en stammende uit de rijke boerenstand, toch de weg volgde die zijn innerlijke onrust hem dreef. Reizen en schrijven. Hij werd in 1826 opzichter van bruggen en wegen op Java. Enkele jaren later landbouw-adviseur in Suriname. Spoedig werd hij daar ook benoemd tot inspecteur van bruggen, straten, wegen en waterwerken en kreeg hij ook opsporingsbevoegdheid, wat eigenlijk onder het gezag van de procureur-generaal viel. In 1834 keerde Teenstra terug naar Nederland en vestigde zich in Ulrum*. Daar schreef hij vele boeken en kronieken.  

Teenstra was sociaal zeer bewogen. In “De Kinderwereld” schrijft hij onder meer over het leed van de landarbeiders. … Teenstra bezat ook een eigen liberaal tijdschrift onder de naam De Diligence onder het motto “Mijn zweepslag klieft de lucht, het stof stuift om mijn wagen”. De naam was het zinnebeeld van de vooruitgang. … Hij was een felle progressief voor zijn tijd en kwam op voor gelijke rechten van alle mensen. … Teenstra was een man met een zeer kritische geest en een enorm scherpe tong [lees: pen]. Mede door de uitgave van zijn Landhuishoudkundig almanakken verkreeg hij in wijde kringen grote bekendheid. … Op cynisch en niets en niemand ontziende wijze schreef hij over bekende zaken en personen. Ook zichzelf ontzag hij niet. Zeer bekend en zelfs in 1943** opnieuw uitgegeven in Afrika zijn de boeken “De vruchten mijner werkzaamheden gedurende mijne reizen over de Kaap de Goede Hoop, naar Java en terug, over St. Helena naar de Nederlanden” welke hij schreef tijdens zijn verblijf te Kaapstad in 1825. … Teenstra bezat een uitstekende taalbeheersing en een zeer sterke opmerkingsgave.

Bijgeloof

Vooral het eeuwig heersende bijgeloof had zijn bijzondere belangstelling. Hij begon een felle campagne tegen het heersende geloof aan spoken, heksen, geesten en alle vreemde verschijningen. Vrijwel alles wat er aan volksverhalen op dat gebied bestond is door hem verzameld. … Hij was een man bezield door een groot ideaal en door ernst, maar ook door haat en afkeer van de bijgelovigheid van zijn medemensen waartegen hij de strijd aanbond in woord en geschrift. … Hij heeft zijn doel niet bereikt, maar dat lag zeker niet aan hem. Misschien als Marten Douwes Teenstra vandaag nog eens in onze wereld rond kon kijken, dat hij dan niet eens verbaasd zou zijn. Niemand beter immers kende de mens. Daarom ook dat hij zich zo tegen het bijgeloof heeft verzet. In dat opzicht was hij zelf een “bijgelovige”. Door te denken ook maar iets aan de mens te kunnen veranderen.”
[Tot zover de visie van M.A. van Seijen.]

*Van Seijen schrijft hier; en kocht vervolgens een huis. Dat is niet juist; in zijn jonge jaren was Teenstra failliet gegaan als boer en dat is hij nooit te boven gekomen. Zijn gezin ging daarom inwonen bij zijn schoonmoeder in Ulrum, toen Teenstra vertrok naar Indië. En hij ging er zelf ook bij in toen hij in Nederland terugkwam. Zijn schoonmoeder woonde in een villa  tegenover Louten . Het huis werd later ‘de villa van Loots’ genoemd. Nu staan daar de bibliotheek en het Groene Kruisgebouw. Teenstra noemde het huis 'Noord-Indië'. PvdB

** Van Weerden schrijft dat in 1952, ter gelegenheid van het derde eeuwfeest van de stichting van een kolonie aan de Kaap, de Jan van Riebeekfeesten, het boek opnieuw is uitgegeven. Het is mij niet duidelijk of een van de jaartallen onjuist is of dat het 2 keer herdrukt is***. Het geeft in ieder geval wel duidelijk aan dat de verslagen van Teenstra dusdanig compleet en gedetailleerd zijn geweest dat deze, voor de kennis van de geschiedenis van Zuid-Afrika van historisch belang werden geacht. JT

*** Latere correctie mijnerzijds: Van Weerden schreef 'enige jaren voor de Jan van Riebeekfeesten van 1952...'. De herdruk in 1943 blijkt correct. Het betreft hier een uitgave van F.C.L. Bosman te Kaapstad die in zijn inleiding schreef "Omtrent die lewe en persoon van Marten Douwes Teenstra het ek geen ander bronne kon vind al die kort berig in die Biographisch Woordenboek de Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkunde [...] en se eiie mededelings in sy boek nie". Zoals M.A. van Seijen in zijn voorwoord tevens schreef hebben we het aan Van Weerden te danken dat we nu meer over Teenstra weten. "Wie meer wil weten over mens en leven van Marten Douwes Teenstra verwijzen wij naar diverse werken van Jan Stoffels van Weerden, die meer dan veertig jaar hoofd der school te Zuurdijk is geweest en tijdens zijn leven vrijwel alles over Marten Douwes Teenstra heeft nagezocht en op schrift gezet".  JT      

De Indische Reis
Teenstra schreef in erg lange en uitbundige zinnen. Van de bovenaangehaalde “De vruchten mijner werkzaamheden…” heeft J.S. van Weerden een leesbaar(der) verhaal gemaakt. Deze reis is geen pretje geweest. Op 22-11-1824 nam Teenstra afscheid van familie en vrienden. Door de tochtige en natte ritten per rijtuig, snik en het schip naar Indië werd Teenstra geveld door een pijnlijke reuma. Bij de tussenstop op 11-3-1825 op Kaap de Goede Hoop werd hij door medereizigers van boord gedragen maar was vervolgens te ziek om weer tijdig terug te kunnen en miste zo de boot  naar Indië. Na een lang ziekbed kreeg hij het advies de binnenlanden in te gaan naar een warmwaterbron. Daar kreeg hij een slaaf ter beschikking. Maar deze liet, bevangen door bijgelovige angsten voor de vleermuizen, Teenstra in de steek zonder ook maar iemand in te lichten.  Kruipend wist hij een, eveneens naar eten zoekende, kip te bemachtigen. Het koste hem tot de volgende dag om het dier te bereiden. Een ervaring welke zeer zeker zal hebben geleid tot Teenstra zijn afkeer van bijgelovigheid. Ook zal in die periode zijn afkeer tegen de slavernij zijn gekomen.  Uit een vererfde boedel werden 19 slaven, slavinnen en kinderen te koop gepresenteerd. Teenstra zag hoe een slavin, stram van ouderdom en rheumatiek, die eigenlijk niet meer kon dan wat aardappelen schillen en vuurtje stoken, in gebogen houding met behulp van een kruk de kooptafel beklom en door de erven werd ingehouden, omdat ze slechts enkele rijksdaalders kon opbrengen. Hij zag, hoe daarna haar enige kleinzoon, 13 jaar oud, waaraan ze zeer gehecht was, omdat zijn moeder bij zijn geboorte gestorven was en die zij dus altijd verzorgd had, te koop werd gepresenteerd en voor 1300 rijksdaalders aan een man verkocht werd, die in Kafferland woonde, 40 dagreizen van Kaapstad verwijderd. En hij zag hoe de jongen van zijn grootmoeder werd afgenomen, zonder afscheid te mogen nemen, hoe hij ondanks heftig tegenspartelen werd beetgepakt, gebonden en wreed op de wagen gesmeten, die onmiddellijk wegreed. Nog dagenlang had Teenstra dit tafereel voor ogen, hij kon het beeld maar niet kwijtraken; nog dagen lang hoorde hij de weergalm van het wanhopige gejammer van de oude vrouw en het geschreeuw van de razende knaap.

Uiteindelijk herstelde Teenstra zich van zijn reuma en vertrok hij op 7-7-1825 alsnog naar Batavia te Java waar hij op 5-9-1825 aankwam. Maar ondanks alle gedane beloftes kreeg hij geen werk, terwijl zijn kosten enorm waren opgelopen. Op 19-2-1826 stapte hij op het schip dat hem terug naar Nederland zou voeren. Op 12-7-1826 zette hij weer voet op vaderlandse bodem en kwam op 24-7-1826 weer thuis, op zijn boerderij Arion te Baflo  bij zijn vrouw en vier kinderen.

In 1828 zou Teenstra een nieuwe poging doen om in de koloniën werk te vinden, nu in Suriname. Daarover meer in het volgende artikel.    

J. Tuma

Bron: De Indische Reis, J.S van Weerd; Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden; Nederlandse Volksverhalen, M.D. Teenstra/M.A. van Seijen.

 



Vorige pagina: Soldaten naar Ulrum Volgende pagina: MD Teenstra 2