Print deze pagina

Kinderspelen 2

Zoals eerder aan u werd beloofd hierbij een vervolg op de oude kinderspelen. Wederom aan de hand van de beschrijvingen van M.D. Teenstra in zijn boek De Kinderwereld.
 
Hoepelen
Het rollen met een houten hoepel was een bekend tijdverdrijf bij alle Europese kinderen in de negentiende eeuw. Er is veel oefening voor nodig om de hoepel rechtop te houden en om hem in een rechte lijn te laten rollen. Om de hoepel aan de gang te krijgen, pakt men hem tussen de vingers en duim van een hand vast, met de wijsvinger gestrekt langs de buitenste rand. Buig voorover en geef de hoepel een flinke zet. Terwijl men ernaast of er vlak achter blijft rennen, brengt men de hoepel vooruit door er zo nu en dan met een stokje of met de vlakke hand tegen te slaan.
 
Tollen
Het meest bekend zijn de priktollen en de drijftollen. Bij een priktol wordt een touwtje van ongeveer 1 meter lang om het uiteinde van de tol gewikkeld. Door de tol hard naar de grond te werpen en tegelijkertijd het touwtje van de tol af te trekken, krijgt de tol zijn snelheid. Bij het aanraken van de grond blijft de tol draaien, zakt langzaam af, om vervolgens hulpeloos om te vallen. Ook de wat kleinere tollen die tussen twee vingers op snelheid komen, kunnen daartoe gerekend worden. Een hele speciale uitvoering is de keertol die het best vergeleken kan worden met een champignon. Als deze tol met de bolle kant naar beneden in beweging wordt gezet, draait hij even rond om vervolgens met een korte slingerbeweging op zijn steeltje verder te draaien.
Een drijftol heeft veel overeenkomsten met de priktol. Het verschil is dat deze tol met een veter aan een stokje opgezweept kan worden en zo blijft draaien.
 
Ketting smeden
Jongens en meisjes plaatsen zich hand aan hand in een lange rij. Dan loopt de rechtervleugel boogsgewijs en de handen gesloten houdende onder de armen van de eerste en tweede persoon op de linkervleugel door. De eerste vleugelman maakt vervolgens rechtsomkeert, staande met de handen gekruist over de borst. De tweede volgt, met opnieuw door te lopen, en sluit zich na frontverandering dicht aan de eerste. Enzovoort, tot allen rechtsomkeert hebben gemaakt. Dan treedt de smid (de persoon van de rechter (nu linker) vleugel voor, en daarna de koopman, de persoon van de linker (nu rechter) vleugel, om de ketting van de smid te kopen. De koopman onderzoekt de ketting lid voor lid, door op de armen te drukken of zij goed stevig en vast zijn. Laten de handen/leden los, dan moet de smid, als een grote bedrieger, onthoofd worden en allen lopen het veld in om hem te grijpen. Hem gevat hebbende, formeerden zij een cirkel, de smid knielde waarbij zijn hoed of pet onderste boven gezet, door de koopman van zijn hoofd werd afgeslagen. Vloog het niet over de cirkel, dan was het de beurt van de koopman zelf, en de smid trad als scherprechter op.
 
Pandspelen
Een geliefkoosde uitspanning van huwbare jongelingen en meisjes. Er zouden honderden variaties van zijn aldus Teenstra, waarvan hij er een aantal benoemt als Het verkeerde apropos; Vlieg, vlieg, vlindertje, vlugt; Haasje vlieg op; Snoek loop weg; Duifje zwem onder. Hierbij zit iedereen met de rechterwijsvinger op de tafel, de pandmeester zegt bijv Snoek loop weg en strijkt, met de vinger tikkende, rechtsaf over de tafel. Wie dit na doet en geen neerwaartse beweging maakt moet pand betalen. Haasje vlieg op zegt de pandmeester en slaat met de hand opwaarts (alsof de haas vliegt). Wie dit nadoet en niet de lopende beweging volgt (wat een haas immers doet), betaalt pand. Duifje zwem onder zegt de pandmeester, en wijst naar beneden. Wie dit nadoet en niet de opwaarts wijst (vliegen) betaalt pand.
Ook leuk was Het verboden Ja en Neen; wie een van deze woorden in zijn antwoorden aan de pandmeester gaf, betaalde pand.
Wat veel lawaai gaf was het Dag Jan, dag Smid waarbij met handen, voeten, ellebogen, knieën en hoofd de bewegingen van de smid van soms wel 9 ‘hamers’ moest worden gevolgd. Wie faalde gaf pand.
Admiraaltjen of het sterfbed; wie sprak of lachte bij het vragen van de arts gaf pand.
Ook een pandspel was het Ulle wulle wit waarbij de waarzeggende godheid Ulle werd ‘geraadpleegd’. Teenstra stipt hier nog aan dat Behalve op andere plaatsen deze in het wit gekleede wintergod ULL waarschijnlijk ook eenen tempel had op de westelijke wierde van het tegenwoordige Ulrum of Ulle’s-heem, op welke wierde die godheid vereerd werd, wordende aan hem ook de aanvang, de meerdere of mindere strengheid en de tijd van de duur den winter toegeschreven. Maar, zo schrijft hij verder; Het ontbreekt ons hier echter aan ruimte, om over deze Godheid en den naamsoorsprong van Ulrum uit te weiden.  Jammer.
 
Rommelpot
Een oud volksmuziekinstrument gemaakt van een over een aardewerken (bijv. mosterd)potje getrokken varkensblaas met een riet of bamboestokje in het midden vastgemaakt. Door met een natte hand over het riet te trekken ontstaan trillingen in het vlies. De pot dient als klankkast en versterkt het geluid. Het was gebruik om even voor Nieuwjaar langs de huizen te gaan om, met de rommel- of foeke pot  als begeleidingsinstrument, een versje te zingen.
 
Teenstra benoemt ook een aantal andere mogelijkheden waarvoor een blaas benut werd, zoals om er potjes en fleschjes mede te overtrekken en lucht digt te houden of om er erwten en boonen als poters voor het volgende voorjaar in te bewaren. Kinderen gebruikten het ook graag om op te blazen (als een ballon) en er bonen in te doen wat ook een hoop lawaai gaf. Anderen maakten er een gons- of doedelzak van. Ook als zwemband werd het wel gebruikt, om te leren zwemmen.
 
Klatteren
Volgens Teenstra ook wel klossen genoemd. Hij omschrijft het als tamboer met een paar houten klossen de taptoe slaan. Trommelen dus.
 
Hanepikken
De hanepik of haantjespik is een kleine houten bal waardoor een spijker geslagen wordt. Aan de achterkant van de spijker worden slagpennen of haneveren zoodat deze pikker bij het wegwerpen altoos met de scherpe punt des spijker in het hout vliegt en in zachte voorwerpen diep indringt.
Een voorloper in feite van het dartspel. 
 
Paletten
Elkaar de bal toe kaatsen en fiksch raak om raak spelen. Ik denk dat hiermee het nu in Friesland nog populaire kaatsspel kan worden vergeleken.
 
Kolven / Maliën
Eveneens vormen van kaatsspelen, waaruit aldus Teenstra het spreekwoord “een kolfje naar hun hand” is ontstaan.
 
Teenstra haalt ook enkele kinderspelen aan die hij zelf destijds al discutabel vond. Zo benoemt hij het met lijmgarden en slagnetten vangen van vogeltjes. Van het aalvangen kan ik mij herinneren dat dit enkele jaren geleden in Zoutkamp in ere zou worden hersteld, maar wat op nogal weerklank stuitte. Van het ‘spel’ de Kat uit de ton knuppelen geeft Teenstra helaas geen duidelijk omschrijving, maar we kunnen ons er wel van voorstellen dat dit heden ten dage als dierenmishandeling zou gelden. En zou daar dan niet ook vissen/hengelen onder vallen?
 
Wetenschap
Teenstra geeft in zijn nawoord in De Kinderwereld [1853] aan dat “de natuurkundige wetenschappen een rijke bijdrage leverden om het kinderspeelgoed te volmaken”. De gezigtkunde (de optica) gaf haar brand- en vergrootglas voor de tooverlantaarn, den kaleidoscoop, thauma-troop, stereoscoop en zoo vele andere, die door kleurverwisseling, groepering en beweging van beelden en figuren vermaken. De magneetstaaf om te visschen op vischjes van blik, in water drijvende. Een galvanisch kolommetje, een electrotypische bewerking is niet buiten het spel gebleven. Vliegers, molentjes, parachutes uit het hoofdstuk der luchtvormige vloeistoffen. Het zing-glas, de harmonica, het accordeon uit de leer van het geluid. De spoorwagen, het uurwerk en vele andere zaken meer, in één woord: het kind der negentiende eeuw speelt op eene wijze, waardig den hoogeren stand van den arbeid van hare volwassenen.
 
Het brengt ons terug naar het jaar 1834 waarvan al gebleken was dat het een tijdperk was van vele uitvindingen en vernieuwingen.
bronvermelding:
De kinderwereld, M.D. Teenstra;
wikipedia.nl; koekbackertje.nl
 


Vorige pagina: De duisternis Volgende pagina: Kermis