Print deze pagina

Kermis

Als vervolg op de kinderspelen deze keer vertier voor jong en oud rond ons jaar 1834.
 
Het aantal gelegenheden tot ontspanning in 1834 was veel geringer dan nu; dat schreef ook J.S. van Weerden al in zijn Spanningen en Konflikten [1967]. De sport stond nog in zijn kinderschoenen en bleef in hoofdzaak beperkt tot harddraverijen en ringrijderijen in de zomer en hardrijderijen op de schaats in de winter, soms afgewisseld door draverijen met paard en arrenslee. De deelname aan die sport was slechts aan enkelen voorbehouden en de toeschouwers waren verre in de meerderheid. In de voorzomer, wanneer op de boerderij van de paarden weinig werd gevergd, gebeurde het vaak dat op een zondag middag leden van het dienstpersoneel een ritje gingen maken in de kapwagen (huifkar). Men stelde zich met weinig tevreden; bedenkende dat de wegen nog bijna zonder uitzondering kleiwegen waren, met vaak wolken stof van fijne klei- of zanddeeltjes, en ongemakkelijke zitplaatsen op een wagen zonder veren of riemen.
 
Het bezoeken van een in de omgeving te houden boerenboeldag, kermis of harddraverij werd aan de dienstboden bijna altijd toegestaan en algemeen werd er van de gelegenheid gebruik gemaakt.
 
Kop van Jut [1876]
Een kermis anno 1834 omvatte uiteraard geen sensationele Break dance, Octopus, reuzenrad, of autoscooters, maar waren vooral geschikte gelegenheden voor het meten van kracht en handigheid over en weer. Van Weerden noemt hier als voorbeelden koekhakken, de kop van Jut en andere spelen.
De kop van Jut echter blijkt pas te dateren uit het jaar 1876 toen het proces liep tegen de dubbele moordenaar Hendrik Jacobus Jut. Een gewiekste kermisexploitant speelde handig in op de volkswoede over de brute roofmoord. Hij ontwierp een afbeelding van het hoofd van de moordenaar en nodigde de feestvierende massa uit daarop om het hardst de krachten te beproeven en uit wraak symbolisch een fikse mep te geven op de kop van Hendrik Jut. Het is een attractie die we ook nu nog wel tegen komen.
 
Nostalgie
Inmiddels verdwenen attracties waar weliswaar al nostalgisch naar teruggekeken wordt blijken dan wel oud maar nog niet van 1834 te zijn.
De paardenmolen dateert uit 1830 [dnkermis.nl] de stoomcarroussel uit 1895 [wikipedia]. We moeten ons bedenken dat de grotere attracties pas werden uitgevonden na de komst van stoommachine en elektriciteit. En het vervoer van de attracties kon pas echt op gang komen toen de staat van de wegen verbeterde. De kermis, het oude volksvermaak bij uitstek, heeft zich in de loop der eeuwen mee ontwikkeld met mens, maatschappij en techniek.
Van heinde en verre kwam de bevolking bijeen om zo’n feest te vieren met vooral veel eten en drinken. En om allerlei inkopen te doen op de vrijmarkt die vaak aan de kermis verbonden was. Waarbij het wel uitkijken geblazen was, want veel handelaars probeerden hun publiek bij de neus te nemen. Vooral de kwakzalvers deden goede zaken met hun wondermiddelen die tegen elke kwaal heetten te helpen. Of andere fopperijen; de dikke dame (komt dat zien) die niets anders dan een vrouw in een bolmakende spiegel was; de hond met twee koppen, een doodgewone hond met een vissekop aan de halsband; Suzanna in bad, een onschuldig poppetje in een glazen bak met water.
Maar ook liedjeszangers met hun smartlappen of de kunstenaar met zijn gejongleer, ze ontbraken in vroeger jaren op geen enkele kermis.
 
In ons jaar 1834 bestond een kermis uit een verzameling van kleine kraampjes en bezigheden. Maar voor de bevolking van destijds daarom niet minder interessant.  
Aan de wedstrijden en feestelijkheden deden de afgescheidenen evenzeer mee als de anderen; ook tegen het schaatsenrijden op zondag werden door hen geen bezwaren ingebracht; zo citeert Van Weerden uit het boek Levensherinneringen van de heer G. Zijlma (1842-1922).
Kracht, handigheid, vlugheid, vaardigheid van geest, stonden rond 1834 hoog aangeschreven. Namen als “dubbele Arend”, “Tun van Beswerd”, “Jaapk’oom” waren slechts een paar namen uit vele (grote, sterke of lange mensen, hardrijders en hardlopers, veel-eters enz.), die van mond tot mond gingen. En van jaar tot jaar namen hun daden en kracht en omvang toe; het werden legendarische figuren, zoals we nu bij top-sporters kennen.
 
Koekhakken
Voor dit behendigheidsspel werden speciale koeken gebakken. De kunst was de dunne, platte en zeer taaie koeken door middel van een paar goedgemikte slagen met een bijl in stukken te slaan. Dit oude volksvermaak is in de loop der eeuwen vaak verboden. Niet zo vreemd, want er zijn vele ernstige ongelukken mee gebeurd. Dit omdat de deelnemers niet in de koek, maar in de eigen benen of andere lichaamsdelen hakten.
 
Marten Douwes Teenstra omschrijft het spel in zijn boek De Kinderwereld [1853] met cynisme: Een menigte speelzieke kinderen en jongelieden staan daar in hun beste zondagspak en met eenige centen in den zak, bij het houwblok, om met een slingerbijl in een of twee slagen, bij aanneming, eene oude droogen en met zand bestoven koek op een morsig blok door te hakken. Na eenig loven en dingen over het getal slagen, met eene hand of met beide handen te slaan, wordt de strijd met eene ellendige bijl, in een onbedrevene hand, onder het oude gezegde van Knik-knak-knelis! aangevangen, en de aannemer slaat er raak of niet met een onzekeren slag op los.
Natuurlijk kan Teenstra het niet nalaten om een vergelijking te trekken met De Cock in zijn opmerking. Ook groote kinderen slaan er wel eens even onzeker de groote bijl op los; zelfs ongeletterde predikers bezigen een gelijksoortig wapen om, ten einde met het onderzoeken en ontleeden van de gordiaansche knoop geen tijd te verliezen en geen hoofd te breken, de moeijelijkste Bijbelplaatsen met een gelijksoortig wapen in hunne ongeoefende handen door te hakken.
 
Stoetsnijden / Dobbelen
Teenstra bekritiseert tevens de bakkersgezel op de boeren boeldag met een blaauwgeverfde stoetkörf, hebbende eenige jongens om zich heen, die weddenschappen aangingen, om eene stoet in twee of drie sneden, op eene plank liggende, in de lengte door te snijden. Of anderen die dobbelden met drie teerlingen in een bak om een bolletje of stroopkoek, waarbij tegen een bepaalde inzet, onder de 9 of boven de 12 ogen (punten) te zullen gooien. En de bakkers jongens spelen dan ook het liefst met knapen tusschen de 9 en 12 jaren oud; zijn ze jonger, dan hebben ze gewoonlijk geen zakgeld genoeg, en zijn ze ouder, dan zijn ze hem ligtelijk te slim af, en zien iets, wat de speler niet zien mag. En zoo worden de kinderen reeds vroeg aan de koektafels en broodmand door bedriegelijke spelers voor het verderfelijke spel opgeleid. O tijden, o zeden!
 
Natuurlijk waren kermis en boeldag ook dé gelegenheid om kennis te maken en contact te leggen met het andere geslacht. In een volgende aflevering zullen we de gebruiken rond verkering en huwelijk eens bekijken.
 
Van Weerden citeert ook aan de Gouverneur der provincie Groningen in 1842 gericht “adres”, waarin de predikanten van de Ring Leens der Ned. Hervormde Kerk, pleitten voor het stoppen van verschillende misstanden. Hierin werden ook kermissen genoemd. En omdat de predikanten van de Ring niet graag hun gemeenteleden “de weinige gelegenheden tot een gepast vermaak” wilden ontnemen, zullen we moeten aannemen dat bij de kermissen buitensporigheden voorkwamen die een reden voor de klacht van de Ring vormden. Natuurlijk was drankmisbruik daar één van; ook daarover meer in een volgende aflevering.
 
JT
bronvermelding:
Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.
De kinderwereld, Marten Douwes Teenstra.
Rondblikken, J.A. Bodewes
Feesten in Nederland, Ton de Joode
wikipedia.nl; koekbackertje.nl
 


Vorige pagina: Kinderspelen 2 Volgende pagina: De Groninger dracht