Print deze pagina

Het Hunsingokanaal

Ulrum was eeuwenlang het eindpunt van de snik (trekschuit). Daar waar nu het kanaal doorloopt naar Zoutkamp was in ons jaar 1834 alleen een kleine afwatering, de Zoutkampertocht.

Het Hunsingokanaal is (pas) gegraven in het midden van de 19e eeuw, om de afwatering van het gebied de Marne te verbeteren. Voordien waterde het af via de Kromme Raken op het Reitdiep. De aanleg werd mogelijk door de oprichting van het waterschap Hunsingo in 1852, waar de zijlvesten het Houwerzijlvest en het Schouwerzijlvest, die beide het gebied van de Marne besloegen, deel van gingen uitmaken. Er werd gekozen voor een tracé van uit het midden van het gebied naar het westen. Hiertoe werd de Zoutkampertocht, de verbinding tussen Zoutkamp en Ulrum vergraven tot een kanaal en werd de trekvaart van Ulrum naar Stort verbreed. Tenslotte werd in de zeedijk bij Zoutkamp een spuisluis aangelegd (1858). Het zo ontstane kanaal kreeg de naam van het net opgerichte waterschap.

Spookverhalen
Teenstra vertelt in zijn boek Volksverhalen en Legenden nog een aardig spookverhaal over dit gebied. Marten Jans Reukema, broodbakker te Ulrum, kwam op den avond van vrijdag den 6 Maart 1840, tusschen 9 en 10 uren van de Zoltkamp, gaande door de grouden* langs het gewone voetpad naar Ulrum. Een weinig buiten het visch, modder-, stank- en spookrijke Zoltkamp zijnde, ontwaarde hij eene witte gedaante, een vreemd schijnsel, hetwelk hem, zoo als hij zelf verhaalt, bijbleef. Dan eens vóór, dan eens ter zijde en dan eens achter hem zijnde. Dan de onversaagde, moedige held, vervolgde zijnen eenmaal ingeslagenen weg. In de grouden komende, alwaar het nimmer regt pluis is, werd hij door eene opgewondene verbeelding, zoo als zijn idyllisch verhaal getuigt, in eenen toenemenden graad bang en beangst, en zag nu dat het naast hem zwevende spook de grootte en gedaante van eenen mensch had, hebbende eenige blaauwe strepen, als die van eene engelsche uniform, over de borst, verder was het geheel wit. Dit spook, aan hetwelk hij geene voeten ontdekken konde, zweefde als een damp bij langs de vonders, schuins over togten en slooten, en bleef hem steeds bij, tot in het pastorijland, bij Ulrum; hier bleef de bakker aamechtig staan, tot het verrigten eener kleine, hem dringende behoefte, en zeide nu, met eene stootende stem, tot deze plaaggeest: “Zijt gij van God, zoo kom tot mij, en zijt gij van den Duivel, wijk van mij”. Hierop werd de gedaante zwart, en verteerde in een klein onregelmatig klompje, dat weldra in de aarde verdween. Thans overtuigd, dat het spookgestalte van den booze was, werd de bakker nog meer bevreesd, zette het op een loopen, en liet zich, in Ulrum komende, dadelijk bij den heer Med.Doct. J.D. Schepers aderlaten.

* Op een andere pagina in het boek geeft Teenstra aan dat de Grouden een vlak dras land, nabij de Zoltkamp is.

In dat kader willen we u dan ook het volgende verhaal over de Grouden niet onthouden:

In de Grouden loopt ook zeker iemand, die, aldaar met twee zijner kennissen over de onsterfelijkheid sprekende, afgesproken had, dat wie van hun drieën het eerste stierf, op aarde (en wel bepaaldelijk in de Grouden) zoude terug komen, ten einde de twee anderen van zijnen toestand, en het leven na dit leven, kennis te geven. Dan een van hun drieën gestorven zijnde, hebben de twee anderen dit pad nimmer weder durven loopen, omdat zij vreesden door den geest van den eerst overledene, welke nog heden in de Grouden rondwaart, en op hunne komst wacht, te worden ontmoet. Deze personen, nu reeds alle drie overleden, waren: Jacob Berghuis, landbouwer op Robertsum, onder Vierhuizen, Tiete de Jonge, ontvanger van in- en uitgaande regten, te Zoltkamp, en Eisse Alberts, schipper, later turfmeter, te Zoltkamp. Berghuis stierf het eerst, en wel in het jaar 1821, de tweede eenige jaren later en de laatstgenoemde den 7 Januarij 1836.

 

Jessica Melker
In een editie van d’Ollerommer van april 2003 kwam ik een verhaal van Jessica Melker tegen. In het artikel refereert Jessica naar een anekdote over Teenstra uit de koker van Van Weerden:

In Martens tijd was de trekschuit het enige vervoermiddel van Ulrum naar de stad. Verschillende inwoners van Ulrum stelden echter hun reis naar de stad uit als zij wisten dat ze met Marten zouden reizen. Zo probeerden ze te vermijden dat zij het mikpunt van zijn gepest werden. En in een gezelschap waar Marten ook aanwezig was vertelde een notaris een keer een geschiedenis van een zoon die enig kind was en niets van zijn leven maakte. Natuurlijk moest Marten hierop reageren. ‘Nu ja,’ zei hij, ‘het is toch bekend dat enig-zoons nooit deugen. Zijt ge misschien ook enig-zoon, mijnheer de notaris?’ Gelukkig kon het hele gezelschap, ook de notaris, hierom lachen.

Van Lennep en Hogendorp
Ook nog aardig te vermelden in deze aflevering over de snik is het verhaal van de twee Leidse studenten, Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp. Zij maakten in 1823 vanuit Amsterdam een reis te voet, per trekschuit en per diligence door Nederland. Het verslag van Van Lennep, die later beroemd werd als romanschrijver, werd in 1942 in boekvorm uitgegeven en in 2000 vertaald. Geert Mak maakte in de zomer van 2000 dezelfde voetwandeling voor een televisieserie. Deze Van Lennep en Van Hogendorp reisden via Leeuwarden, Dokkum en Kollum naar Groningen. De jongeheren bleven enige dagen in de stad. Dit bezoek zou hen nog lang heugen omdat zij er op onaangename wijze lastig gevallen werden door liberale studenten (Van Hogendorp was namelijk in 1822 gepromoveerd op een anti-liberaal proefschrift.) Van Lennep heeft dit avontuur in dichtvorm weergegeven in zijn verslag (het neemt meer dan 4 bladzijden in het betreffende boek in beslag…!) Op 22 juni 1823 vertrokken ze weer uit de stad, richting Zoutkamp. Op 23 juni gingen de heren verder naar Ulrum, Leens, Pieterburen, Warffum en overnachtten in Uithuizen.

Over Ulrum schrijft Van Lennep dat dit een groot en bloeiend dorp is. Het zou nog een aantal jaren duren tot in 1829 Hendrik de Cock als dominee beroepen zou worden in Ulrum. De tegengestelde meningen in het geloof, die men in Groningen had ondervonden, en die in 1834 in Ulrum tot de Afscheiding zouden leiden, waren in 1823 voor het tweetal dus nog geen reden om lang te vertoeven in Ulrum.

Wel interessant voor het tweetal was een uitstapje naar de boerderij van Douwe Martens Teenstra in het Ruigezand. Hij had samen met zijn broer Aedsge (‘Edske’) op respectievelijk 27- en 19-jarige leeftijd, onder leiding van hun vader Marten Aedsges Teenstra, het Ruigezand tussen Kommerzijl en Lauwerzijl ingepolderd. Helaas troffen ze het huis van Douwe Teenstra in de rouw, want deze was net enkele dagen tevoren overleden. Niettemin werden ze in de boerderij rondgeleid door de weduwe van Douwe. In een artikel uit 1995 van het Nieuwsblad van het Noorden vertelde de toenmalig bewoner Dick Gardenier: “Met het reisverslag van Jacob van Lennep in de hand kan ik me nu, na al die jaren, nog laten rondleiden door mijn eigen huis”. Beide studenten waren vooral getroffen door de aanwezigheid van een verzameling natuur- en sterrenkundige instrumenten. “Voor mij wijst deze belangstelling voor zo gevarieerde onderwerpen erop, dat de Teenstra’s in heel grote verbanden konden denken. Ze waren sterk in het zoeken van de samenhangen op deze wereld; hun leven ging niet verloren in onbeduidend kleine details”, aldus Gardenier.

Het was `uit dit nest` dat “onze” Marten Douwes Teenstra kwam.

JT

bronvermelding:

Wikipedia.org; Nederlandse Volksverhalen, M.D. Teenstra; Infonu.nl; Geertmak.nl; Jacobvanlennep.nl; Bijlage NvhN, 1 juli 1995



Vorige pagina: De snik Volgende pagina: Kinderspelen