Print deze pagina

Het verloren Asingabezit

Enkele maanden geleden schreven wij over de teloorgang van de Asingaborg in 1809. Maar wat had ook alweer de Afscheiding van 1834 nu te maken met de borg die al 25 jaar geleden was afgebroken?

Heren 14
Allereerst was, wat we eerder al schreven, de verdeling van de rechten van belang. Onder meer de collatierechten kwamen in handen van veertien boeren wat het beroepen van een nieuwe dominee erg gecompliceerd maakte. Dat dan ook nog eens een deel van die heren 14 niet kerkgaand was, was voor serieuze kerkbezoekers een doorn in het oog. Er heerste onvrede.

Van Weerden behandelt in zijn boek “Spanningen en Konflikten, Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834” ook uitvoerig de liquidatie van het huis Asinga en de gevolgen daarvan voor de kerkelijke gemeenschap van Ulrum. Een hoofdstuk waarvan we de waarde en het belang niet moeten onderschatten.

Borgen en jonkers
Ruim 100 jonkerborgen waren er in de provincie Groningen in de dagen der Republiek, aldus Van Weerden. Door de afschaffing van de heerlijke rechten was een belangrijke bron van inkomsten van de praktisch tot dorpsheren geworden jonkers opgedroogd, zodat het niet mogelijk was, zich de weelderige levensstaat die zij gewoon waren te voeren, langer te veroorloven. De een na de ander hebben ze zich van het platteland teruggetrokken en zich in de stad Groningen, of elders, gevestigd.

Voor de dorpen heeft dit terugtrekken naar de steden belangrijke gevolgen gehad. De tot riante landhuizen verbouwde borgen kwamen de een na de ander onder de hamer en deze verkoop leidde bijna overal tot sloop en afbraak. De kostbare inboedels werden op boeldagen gemijnd en de houtopstanden gaven aanleiding tot het houden van grote veilingen. De verkopingen duurden zo lang als er iets te verkopen viel. Na luttele jaren bleef op de plaats, waar eens een bedrijvigheid had geheerst, waar de jachthoorn had weerklonken, waar op gezette tijden een huwelijksfeest, een blijde geboorte of een droevig sterfgeval zijn weerklank had gevonden tot in de kleinste behuizingen van het dorp, slechts een kale vlakte over, geschikt gemaakt voor weide of akkerland.

De afbraak van de borgen met haar bijgebouwen, het vellen van de bomen in de rondom gelegen bossen en plantsoenen, het vertrek van de borgbewoners heeft het platteland een ander gezicht doen krijgen. Voor een gedeelte van de dorpsbevolking mogen hierdoor van enkele winstpunten sprake zijn geweest, voor een ander deel, in het bijzonder voor de ouden van dagen en de invaliden, die niet meer in het arbeidsproces waren opgenomen, was het een verlies. Want op de uitgebreide borgterreinen had juist deze bevolkingsgroep als goedkope werkkracht arbeid en brood gevonden. En tenslotte betekende het verdwijnen van de borg met haar lommerrijke omgeving voor het landschapsbeeld een grote verarming.

Alleen al in het Marnegebied werden in een kwart eeuw tijds vier borgen geliquideerd. De eerste daarvan, de grote Tammingaborg te Hornhuizen, viel in 1803 in slopershanden. Daarna volgden in 1809/10 de Asingaborg te Ulrum, in 1822/23 de Lulemaborg te Warfhuizen en in 1832 Borgweer te Wehe. Slechts Verhildersum te Leens is tot op de dag van heden blijven bestaan.

Welk een rijk bezit zulk een borg voor het dorp uitmaakte, van welk een omvang de liquidatie van zulk een landgoed was, moge blijken uit de volgende gegevens, die betrekking hebben op de Asingaborg te Ulrum, afgebroken precies 20 jaar vóór de intrede van ds Hendrik de Cock als predikant bij de Hervormde gemeente aldaar.

De Asingaborg
Het begon in 1809, op 2 oktober en de daaropvolgende dagen, toen het volledige boerenbeslag, waaronder 5 of 6 paarden, 11 melkkoeien, 1 stier en een aantal kalveren en schapen ten verkoop werden gepresenteerd. Nog in hetzelfde jaar, op 8 en 16 november, had in het logement “De Doelen” te Groningen de verkoop plaats van “het hoog adellijk huis Azinga te Ulrum”, op afbraak, met voor- en achterbrug, met 14 royale kamers, singels, lanen, bossen, woningen, landerijen, waarbij o.a. de 12 jukken grond, waar de borg op stond, zitbanken in de kerk en de heerlijkheden en gerechtigheden van het Grote en Kleine Reedschap, alles tezamen in 57 percelen.
Van welke omvang de plantagiën waren, blijkt uit een advertentie in de Provinciale Groninger Courant, ook in dezelfde maand november, waarbij H.E. Noordhuis en Compagnie (de combinatie die het houtgewas had aangekocht), bekend maakten, dat bij hen uit de hand te koop waren enige duizenden “elderen, eschdoorns, berken, tax, esschen en hagedoornen, pootlings alsmede jonge stam- en appelboomen”. Verder ook beste jonge “persieke-, abrikoose-, kerse-, peere-, pruime- en andere heestergewassen”, met daarnaast “annasse-, persieke- en druivekassen, enz.”.
In een volgende aankondiging kwam de mededeling dat op 16, 17 en 18 januari 1810 te koop zouden worden gepresenteerd “± 600 extra mooie eiken, iepen en esschen, benevens 250 linden, een menigte sparren, beuken, elzen”, en ook nog vele jonge vruchtbomen als perziken, abrikozen, appel-, pere-, pruime- en kastjanjebomen, met een grote partij brandhout, gekapt en op wortel, enz. Op 10 december volgde de verkoop van nog eens “250 extra rechte opgaande iepen boomen van 20 tot 30 voeten stam, benevens 200 linden en een partij jonge iepen en esschen, alles staande bij de borgstede Azinga”.
Inmiddels had op 18 april en de daarop volgende dagen de verkoop plaats gevonden van de kostelijke inboedel van het huis Asinga; een uitgebreide omschrijving daarvan kon men vinden in de dagblad-advertentie.

Uit deze massale verkopingen treedt duidelijk de omvang van het Asingabezit naar voren; ook kan men de gevolgtrekking maken, dat ze voor het dorp Ulrum maar een trieste gebeurtenis waren, omdat het verdwijnen van de borg met haar bewoners het aanzien van het dorp had verminderd.

En anno 2010?
Per 1-1-1990 fuseerden de gemeenten Ulrum, Leens, Eenrum en Kloosterburen. Nadat eerst de nieuwe gemeente ook nog Ulrum had geheten, werd dit per 1-1-1992 De Marne. Inmiddels zijn we ruim 20 jaar verder. En er zijn nog steeds stemmen dat het onder de oude gemeente Ulrum allemaal veel beter was. Of dat zo is laten we maar in het midden. Maar het geeft wel aan dat het oud zeer lang kan doorwerken. Dat zal in het begin van de 19e eeuw niet anders zijn geweest.
En het verdwijnen van de winkels uit het dorp lijkt voor velen nu net zo triest te voelen als men 200 jaar geleden naar het braakliggende borgterrein zal hebben gekeken.
Niets nieuws onder de zon.

JT
bronvermelding:
Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.



Vorige pagina: Het dreigende water Volgende pagina: De duisternis