Print deze pagina

Het dreigende water

Het Hunsingokanaal uit onze vorige aflevering vormde een belangrijke verbindingsweg in 1834 tussen Ulrum en de Ommelanden en Stad. Toch was het water ook een bedreiging.

Wierden en dijken

Ongeveer 500 voor Christus kwamen in het Marnegebied de eerste bewoners. Ze vestigden zich op de aanwezige natuurlijke hoogten. Sinds het begin van de jaartellingen werden deze hoogten vanwege de stijging van de zeespiegel steeds verder opgehoogd. Zo ontstonden wierden, in Friesland terpen genoemd. In de derde en vierde eeuw werd dit kwelderlandschap geteisterd door zware overstromingen, maar van 400 tot 800 braken er rustiger tijden aan. Eeuwenlang leefden de bewoners rondom het verdronken land van de Lauwerszee op verhogingen in het landschap: wierden en kwelderruggen. Een van deze kwelderruggen strekte zich uit van de wierden van Wehe, Leens, Ulrum, Elens en Menneweer tot Vierhuizen. Vanaf ongeveer het jaar 1000 werden de eerste bescheiden dijken aangelegd om de woonplaatsen en landbouwgebieden te beschermen tegen overstromingen. Hierna ging men verder met het indijken van opgeslibde gebieden langs de noordkust van Groningen, rondom de Lauwerszee en aan weerszijden van het Reitdiep. Aan het eind van de 13e eeuw had de Lauwerszee haar grootste omvang.

Op het Marne-eiland lagen de wierden Lydensee (Leens), Werfhusen (Warfhuizen), Oldrum (Ulrum), Hoorhusen (Hornhuizen), Oldenclooster (Kloosterburen), Wherahusen (Wierhuizen), Weij (Wehe), Sutherdicke (Zuurdijk) en Fledorp (Vliedorp). Op het tweede eiland (Halve Ambt) lagen onder andere Eendrum (Eenrum) en Maarhusen (Maarhuizen). Door de eeuwen heen is deze zeewering steeds verder naar het noorden komen te liggen en werden steeds nieuwe gebieden ingepolderd.

Afbeelding: De kustlijn van 1834. Met bovenaan en links het  Groninger Wad, rechts de Hunzeboezem en onder het Reitdiep.

 

Uit het gemeenschappelijke belang in de strijd tegen het water ontstonden waterschappen, de zogeheten ‘zijlvesten’. Ondanks al deze inspanningen bleven overstromingen het land teisteren. Zo kwamen bij de Sint Luciavloed in 1287 vele mensen om. Bij de Allerheiligenvloed van 1570 verdronken in het Groningerland honderden mensen en tienduizenden stuks vee. De Sint Maartensvloed van 1686 kostte in de provincie Groningen 1558 mensenlevens. Het aantal slachtoffers van de Kerstvloed van 1717 was nog veel hoger. Lange stukken dijk werden volledig weggeslagen en op de plaatsen waar dijken waren doorgebroken ontstonden diepe kolken. Het water stond tot bij de stad Groningen. Onder leiding van Thomas van Seeratt werden daarna weer nieuwe dijken aangelegd. In 1825 (dus kort voor 1834) werden de provincies Groningen, Friesland en Overijssel getroffen door ernstige dijkdoorbraken en overstromingen waardoor meer dan 800 mensen het leven verloren.

In 1878 (dus na 1834) werd het Reitdiep bij Zoutkamp afgesloten door een dijk waarin zeesluizen werden aangelegd. Na de watersnoodramp in 1953 werd aangedrongen op een betere bescherming tegen de zee en als gevolg daarvan werd in 1969 de Lauwerszee door middel van een dijk afgesloten van de Waddenzee en ontstond het Lauwersmeer.

Eerder al was in 1875 de Westpolder gereed gekomen. Zowel tijdens de aanleg in 1874 als direct na de voltooiing in 1877, werd de polder getroffen door een stormvloed waarbij in totaal 27 mensen om kwamen. In 1837 (ook na 1834 dus) werd de Vierhuisterpolder aangelegd. Het 2 km westelijk van Ulrum gelegen Vierhuizen verloor met de aanleg van de Kerkvoogdijpolder in 1927 de status van vissersdorp. Deze polder sloot het "gat" dat bestond tussen de noordelijk gelegen Westpolder en de zuidelijke Panserpolder. Daarmee kwam ook de zee voor Ulrum op grotere en veiliger afstand.

Vliedorp

Aan de dreiging van het water had ook het dorp Vliedorp, 1,5 km ten zuiden van Ulrum, moeten geloven. Alleen het wierdekerkhof met 12 grafstenen, in de volksmond Ol Weem genoemd, herinnert nog aan het dorp. In 1651 werd het dorp kerkelijk verenigd met Houwerzijl, omdat het nog nauwelijks iets voorstelde. De kerk en het kerkhof bleven in gebruik. Na 1695 werd de kerk door verval niet meer gebruikt en in de loop van de jaren gesloopt om de stenen te kunnen hergebruiken. In 1770 moeten er nog wat ruïneuze resten gestaan hebben. Door de Kerstvloed van 1717 trok de al afnemende bevolking nog sneller weg, naar het dorp Niekerk. Het kerkhof bleef echter nog tot 1868 in gebruik. Als het pad van Houwerzijl naar Vliedorp door overvloedige regenval slecht begaanbaar was, dan voer men per boot over de Houwerzijlstervaart naar het kerkhof. De bijbehorende pastorie werd na 1695 tot rond 1900 als woonhuis gebruikt. Toen werd het noordelijk deel van de wierde afgegraven vanwege de vruchtbare grond, waardoor het noordelijke gedeelte van het kerkhof zich nu op maaiveldniveau bevindt. De daarop staande tot arbeidershuisje verworden weem werd toen afgebroken. In 1999 werd de wierde gerenoveerd. Het wordt beheerd door Het Groninger Landschap. “Het is een van de oudste cultuurlandschappen van Europa”, aldus Rogier Verbergen van Het Groninger Landschap in een artikel van het Dagblad van het Noorden van 19 maart 2010.

Niet alleen het water vormde een bedreiging. Ook ziektes onder mens en vee, mislukte oogsten, armoede en keihard werken gaven in ons jaar 1834 een zware druk op het leven. Daarover later meer.

bronvermelding: DeMarne.nl; Wikipedia.org; Kerken met een leeuw in De Marne; Gedenkboek Nijverheid 1991, Historie van de Marne.



Vorige pagina: Kinderspelen Volgende pagina: Het verloren Asingabezit