Print deze pagina

Hannekemaaijers

Eindelijk heb ik hem kunnen bemachtigen; het boekje van Marten Douwes Teenstra over Hans Hannekemaaijer’s kluchtige lotgevallen. 

Ik bemachtigde een heruitgave uit 1978, voor ± € 5,00 inclusief verzendkosten. Wat mij stukken beter paste dan een exemplaar uit ± 1835 dat ik al eens eerder had gegoogled maar € 120,- moest kosten.  Toevallig een week eerder vond ik een krantenartikel over het boek (Nieuwsblad van het Noorden, 14-4-1978). Koste ook € 5,00 maar toe maar. 

De eerste druk van Hans Hannekemaaijer’s kluchtige lotgevallen en ontmoetingen op zijne reis naar en door Holland dateert van 1827. Marten Douwes was dus 32 jaar toen hij het boekje schreef. Het was nadat hij in  juli 1826 weer thuisgekomen was van zijn reis naar Java en vóór hij in 1828 vertrok naar Suriname.  

We hadden al eerder van Marten Douwes Teenstra gelezen dat hij een sociaal bewogen man was; hij beschreef het leed van de arbeiders, keurde sterk de slavernij af en was een fel bestrijder van het bijgeloof. Ook weten we dat hij geen blad voor de mond nam. Op cynisch en niets en niemand ontziende wijze schreef hij over bekende zaken en personen.

 

Een voorbeeld daarvan is zijn mening over de toenmalige gastarbeiders, de hannekemaaiers. Wie of wat waren dat nou?

 

Wikipedia

“De hannekemaaiers waren seizoenarbeiders uit Duitsland (voornamelijk uit Westfalen en het Graafschap Lingen in de 17e tot en met de 19e eeuw) die in de zomer te voet naar Nederland kwamen om op het te land werken. De term hannekemaaier is afkomstig van de naam Johannes, doorgaans afgekort tot Hannes en is ontleend aan de dag van traditionele in-dienst-treding, Sint Johannesdag (24 juni). 

De eerste hannekemaaiers kwamen om gras te maaien. Toen bekend werd dat Nederlanders geïnteresseerd waren in Duitse koopwaar, begonnen sommige Hollandgangers om wat extra geld te verdienen deze waren mee te nemen in op de rug gedragen manden. In Groningen werden dit Kiepkeerls genoemd. 

Naar schatting 140.000 uit het huidige Duitsland afkomstige Hannekemaaiers hebben zich tussen 1815 en 1850 blijvend in Nederland gevestigd.”

 

NvhN

Het artikel uit het Nieuwsblad omschrijft (1978) het boekje als een oud volksboekje dat zo’n honderd jaar geleden en nog lang daarna erg bekend was.  In dit boekje werd de spot gedreven met de honderden hannekemaaiers die uit Westfalen en andere Duitse streken naar ons land waren gekomen, om geld te verdienen. 

Het uiterlijk van die gastarbeiders was vaak lomp en onbehouwen en het plat-duits dat ze spraken klonk onze voorouders als een kromme en scheve basterdtaal in de oren. Hun domheid was spreekwoordelijk en daarover deden allerlei verhalen de ronde. De grasmaaiers en velings gaven vaak af op Holland en de Hollanders en beweerden, dat bij hen én land én volk veel beter waren dan hier. Bij hen was het land veel goedkoper en gezonder, het was daar ook niet zo guur en koud als hier. Men had daar geen morsige wegen en schadelijke zeedampen en de avonden waren zachter, dan in dit lage waterland. Ook spraken ze van de grote mannen, die hun land opgeleverd had.

 

Hans Hannekemaaijer

In dit boekje wordt nu de draak gestoken met die opschepperij. Hoofdpersoon is de grasmaaier Johan Friedrich Von Kirchenring, aartsbarbier in Moffrike, in de wandeling Hans Hannemaaijer genaamd, die van uit Sögel in Munsterland, waar zijn vader keuterboer was, met zijn neef Heinrich van Delmhorst als grasmaaier naar Holland komt. 

Hij kwam in Westerwold/ en vindt, hoe wondervol/ een zakhorloge: sicht! was vögel of des wesen schol. Hij pakt de “vogel” bij de staart, dat is de ketting en houdt hem voorzichtig ver genoeg van zich af. Maar hij hoort tikken en zegt Wohlt mich ouch bieten jong? 

Hij komt in de herberg, met Heinrich. Ze bestellen elk acht eieren. De waard die kookt ze ras/ en geeft aan ieder acht/ Hans opent ’t eerste ei/ daar hij die honger heeft niet wacht/ Doe hast, zegt Heinrich, ein Kuuksken, joa mit kop und pooten/ Hol smoel, sust Hans, ont soage niks, of ’t scholden werth bigroaten/ Ich wohl veur ’t zelfde geld dat kuusken stil bekloeven/ out, sunder, dat hij’t markt, geswind noar binnen schoeven. 

Dan gaan ze op weg naar de stad Groningen. Hoe ver is dat? Zeven uur? Goed dat we met ons beide zijn, dat is voor elk maar 3 ½ uur. 

Bij een boer vind Hans werk. Hij schikt eerst aan voor het ontbijt. Hij vraag dan ook direct maar het middagmaal en omdat hij toch aan de gang is, het avondeten er achteraan. De boer gaat akkoord. In eens voor driemaal op eenen dag te eeten/ dat is zeer goed, zoo wordt er weinig tijd versleten. Maar toen hij eindelijk klaar was, wenste hij in plaats van te gaan maaien, een plek om te slapen.

 

 

 

Zo staan er allerlei anecdotes in op rij over een sleepkoets, mosselen, het gevonden dubbeltje, de duivel, bokkingen, de voorzanger, het poestertreden (orgeltrappen).

 

Tenslotte wordt het verhaal gedaan van het omslaan van de schuit. Dat moet echt gebeurd zijn in Sappemeer in de zomer van 1812. Nu reist hij verder voort te voet, naar Maartenshoek/ Doch vaart van hier per schuit, en komt straks te Zuidbroek/ Hier ziet hij Heinrich staan: So moat, woar kumst to herr?/ Wohl Hans! sunt’s toe doar ach, sei ich ihr nog rais waer? De velings plaatsten zich nu in een lange rij/ op ’t dek der ranke schuit, en zitten aan een zij/ Hier keuvlen zij te zaam en maken veel gerucht/ gelijk een lange rei van ganzen in de lucht/ Ook Hans zit tusschen hen en spreekt van vreemde zaken/ waarmede al zijn maats zich lagchende vermaken/ “Doar fällt die dreksjijt um”, de velings hier vergaard/ die storten door elkaar nu in de vaart/ Hier polsen zij dooreen, doch Hans weer opgevat/ roept “Jes, Maria, Josp! Ich sunt joa gans deur nat”.

 


J. Tuma

 

 

 

bronvermelding:
Hans Hannekemaaijer’s kluchtige lotgevallen, M.D. Teenstra; kranteartikel NvhN 14-4-1978.


 



Vorige pagina: Na de Afscheiding 3 Volgende pagina: Wandelroute