Print deze pagina

Feestdagen (1)

In zijn boek De Kinderwereld omschrijft Marten Douwes Teenstra de feestdagen van destijds [1853]. We bekijken eens of er veel veranderd is. Interessant is ook de achtergrond van het ontstaan ervan.

 

Nieuwjaarsfeest (1 januari)

De jaarwisseling wordt tegenwoordig door veel burgemeesters met angst en beven tegemoet gezien. Allerlei preventieve maatregelen worden genomen om vernielingen te voorkomen. Volgens een artikel in Binnenlands Bestuur trokken in de 18e eeuw jongelingen luid zingend, vuurtjes stokend, slaand op deksels en luid schietend door de straten. Er werd met carbid geschoten en burgers schoten uit ‘hunne stoepen’. In een decreet van Amsterdam begin 19e eeuw wordt verordonneerd dat 1 januari een rustige dag dient te zijn. Dat zeg je alleen als het niet rustig is. In Nieuwpoort (zh) verbood de regering in 1758 het nieuwjaarszingen, of in iemands huizen te lopen en de luyden iets af te nemen. Het nieuwjaarszingen werd er vervangen door een collecte op oudejaarsdag, waarvan gort en meel werd gekocht voor de minderbedeelden. Ook toen dus preventie ten top.  

Teenstra schrijft in 1853: Op den 1 Januarij begint de gansche Christenheid haar burgerlijk jaar, hetwelk dus op den aangenomen dag der besnijdenis van Jezus een aanvang neemt. Arme lieden en kinderen gingen zingend langs de deuren, vaak muzikaal begeleid door de “rommelpot” [zie Kinderspelen 2]. Het begon soms al vóór de kersttijd. Maar het was niet altijd aengenaem van voys… Teenstra beschouwde het als een lastig bedelen. Schoolkinderen toonden hun schrijfkunst aan opa/oma/oom/tante voor een nieuwjaars-geschenk. Ook de heilwensen van korenmeter, brievenbesteller, turfdrager, schoorsteenveger, lantaarnopsteker en anderen waren gericht op ‘wat te hebben’. Dat zal toch wel succesvol zijn geweest, want Meest alle geëmploijeerden en geautoriseerde schrijvers zijn op nieuwjaars-morgen vriendelijker en bescheidener, dan op de overige dagen van het jaar.

In de provincie Groningen werden dienstboden onthaald op wittebrood, nieuwjaarsbollen, schooten of regelweggen. Voor vaste daglooners en hun gezin lag er ‘achter’ bij de boer een groot stuk brandhout te knappen en te branden. ’s Middags kreeg men een groot stuk spek of fikse runderbrâ. Een waar feest, want de meeste arbeidersvrouwen en kinderen krijgen op andere dagen geen vet of spek te proeven, op zijn best een weinig raapolie, en men begint in sommige onzer dorpen reeds vleesch van gestorven paarden te eten. Het getuigde dan ook van discretie om de daglooners en de hunnen bij de boer op nieuwjaarsdag niet te storen. Onder de hooge staatsambtenaren zijn de pligtplegingen op nieuwjaarsdag een gedwongene fraaijigheid ... geen wonder dan ook dat deze van lieverlede worden afgeschaft en plaats maken voor het zenden van fraai gelithografiëerde naam of felicitatiekaartjes.

 

Hier en daar werd men op nieuwjaarsdag met een pistool of jagtgeweer “begroet”, waarna er braaf gedronken werd.

Volgens wikipedia.nl heeft het vuurwerk zijn oorsprong in China. Vlak nadat de Chinezen vanaf de vroege 13e eeuw het buskruit hadden ontdekt, deden ze er al proeven mee. Vuurwerk vond na de ontdekking snel zijn weg naar Europa. Volgens kennislink.nl niet op een feestelijke manier, want het werd vooral gebruikt voor de oorlogsvoering. Aldus die site is het zeker dat in China al duizenden jaren geleden vuurwerk werd gebruikt. Volgens kerstmis.excite.nl werden de eerste rotjes gebruikt in China, rond 200 voor Christus. Daar kwam nog geen buskruit aan te pas, dat was nog niet eens uitgevonden! Stukken groen bamboe werd met een klein beetje brandbaar materiaal in een vuur gegooid. De bamboe verbrandde, om tot slot uit elkaar te klappen. Van de knal werd gedacht dat het boze geesten kon wegjagen, zo hard klonk het. Dat werd dan ook meteen de toepassing van het knallende bamboe, met name tijdens de viering van een nieuw jaar.

 

Driekoningenfeest (6 januari)

Teenstra: Het werd alleen bij de Rooms Katholieken als een Heilige dag beschouwd. Vroeger werd de avond van Driekoningen op sommige plaatsen van ons land zowel bij de Protestanten als bij de Roomsch-Katholijken in vrolijke uitspanningen doorgebragt. De jongens liepen met Driekoningsbrieven zingende langs de straten, om die aan de vrienden te bezorgen die men wilde uitnodigen voor het feest. Op het feest had men een regeringsrol. De namen van de deelnemers werden uit een hoed getrokken waarbij men zijn rol toebedeeld kreeg, zoals minister, kamerheer, hofarts, kok, muziekmeester, portier enz. Onder goedkeuring van de koning(in) mocht de rol geruild worden, want de rol van nar b.v. moest door de meest grappige en bespraakte onder de aanwezigen worden vervuld. Het hoofddoel van het feest was aldus Teenstra “de daarmee gepaard gaande smulpartij, eten, drinken, zingen, dansen en vooral het vrijen. Zoo ontaardde het oorspronkelijk godsdienstig feest ter herinnering van de drie koningen, die men (op welken grond weten wij niet) Balthasar, Caspar en Melchior noemt, en tijdens Jezus geboorte naar Bethlehem reisden – in brasserij en losbandigheid tot dat geheel dit feest opgehouden heeft te bestaan. Alleen van Texel en enkele Noordhollandse dorpen  kende Teenstra nog het zingen met de ster, zijnde een van papier gemaakt lantaarntje, waarin op een stok van vlierhout een kaarsje brande.

 

Koppermaandag (maandag na Driekoningen)

Wikipedia: Op kopperdag hielden de gilden traditioneel een feestdag. Het is dus geen kerkelijke feestdag. De gildebrieven werden voorgelezen en de privileges die de leden van het gilde genoten, werden opgesomd. Vervolgens trokken de gildelieden de stad in om geld in te zamelen dat vervolgens werd verbrast. Zo sloten zij de donkere periode rond de kortste dag af.

Koppermaandag wordt al in de eerste helft van de 15e eeuw genoemd, maar is waarschijnlijk nog ouder. In Amsterdam mochten op Koppermaandag en de dag erna de leprozen de stad in, wat normaal streng verboden was. In optocht ging het naar de Dam. Vervolgens werd geld ingezameld voor het Leprozenhuis en kregen de leprozen een maaltijd aangeboden. Vanaf 1604 werd de optocht verboden omdat die teveel overlast veroorzaakte. Toen in de 18e eeuw de gilden werden afgeschaft, bleef de traditie van de feestdag alleen in stand onder de drukkers. De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk. In de loop van de 20e eeuw ging het ritueel vrijwel verloren, doordat men in plaats van Koppermaandagprenten, kerst- en nieuwjaarskaarten ging versturen. Op koppermaandag werden op het platteland de ploegfeesten gehouden. Verklede mensen trokken met een ploeg van huis naar huis en haalden geld op om in de kerk kaarsen van te branden. Hoewel de protestanten dit volksgebruik in de zestiende eeuw probeerden te verbieden, werd het op sommige plaatsen nog tot in de negentiende eeuw uitgevoerd.

 

De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" betekent, via kop dat staat voor "beker". Teenstra: Op de jaarmarkt te Groningen vierde men eertijds een Kopjesdag, op welken de gildebroeders elkander uit een kop toedronken; echter werd de steenen kop of kom weldra door een zilveren kop vervangen, waar in men brandewijn met suiker en rozijnen deed, gaande met eenen daarin geplaatsten lepel van de eene in de andere hand over. Dit gebruik trof men ook wel aan bij kraamvisites. Teenstra vond het een vieze gewoonte van happen zoo als ook in vroegeren dagen het beurtelings rooken uit één en dezelfde pijp. Koppermaandag werd aldus Teenstra ook wel verloren maandag genoemd of, vanwege het veelvuldig gekijf bij die drinkgelagen raasmaandag.

 

bronvermelding:

De kinderwereld, M.D. Teenstra [1853]; Binnenlands Bestuur december 2011; wikipedia.nl; kennislink.nl; kerstmis.excite.nl.

 

JT



Vorige pagina: Koning Willem I Volgende pagina: Feestdagen 2