Print deze pagina

De duisternis

Al enkele weken brandt maar een gedeelte van de straatverlichting in ons dorp. Ik heb me er niet in verdiept of dit uit bezuinigings-, milieu- of om andere redenen is. In ieder geval bracht het mij in gedachten naar hoe de duisternis in 1834 moet zijn geweest.
 
Laat het donker donker
De organisatie van de Nacht van de nacht zou het waarschijnlijk graag terugzien; de duisternis van destijds. In oktober 2010 namen meer dan 25.000 mensen deel aan zo’n 300 activiteiten in het gehele land waarbij aandacht voor de nacht en duisternis werd gegeven. Volgens metingen in 2009 was in Friesland het eiland Schiermonnikoog het donkerste plekje van Nederland, op de tweede plaats gevolgd door het Groningse Hogeland.
Precies daar tussenin ligt Ulrum.
 
Bijgelovigheid
In 1834 zouden de mensen er waarschijnlijk blij mee zijn geweest, de hoeveelheid van licht die wij tegenwoordig hebben ’s nachts. In ieder geval zou de bijgelovigheid minder voedingsbodem hebben gehad. De route die broodbakker Marten Jans Reukema door de Grouden liep (zie aflevering Hunsingokanaal) was uiteraard onverlicht, het verschijnen van de overleden vrouw van “olle boas” Bakker wegens haar oorijzer (zie aflevering Bijgeloof) en de actie van Harmannus Timans met zijn hemd over zijn kleding (idem) vonden ook in het donker en “twaidüster” plaats.
 
Olielamp
Wat voor soort verlichtingsbronnen waren er eigenlijk? De gloeilamp werd uitgevonden in 1877, de petroleumlamp in 1859, beide dus ver na 1834. Kaarsen bestaan al sinds ver voor onze jaartelling. In de graftombe van Toetachamon (14e eeuw voor Chr.) zijn kandelaars (of toortshouders) aangetroffen. In de Romeinse tijd verschijnt de kaars definitief ten tonele. Vet of was diende als brandstof. Verkade begon in 1898 met de productie van waxine thee- en nachtlichten van paraffinewas. Ook ver na 1834 dus. In onze aflevering over de snik hadden we al gevonden dat men in de trekschuit zat bij een vetkaars zonder enige ventilatie etc. Volgens Wikipedia was de petroleumlamp de opvolger van de olielamp.
Geconcludeerd kan worden dat dus vooral de olielamp en kaarsen in het Ulrum van 1834 voor licht zorgden. Omdat veel huishoudens het niet breed hadden zal er spaarzaam mee om zijn gegaan. Veel mensen gingen ‘met de kippen op stok’ en stonden met het kraaien van de haan weer op bij de eerste lichtstralen.
 
Straatlampen
In een door de heer E. Nienhuis (geb. 1-10-1884) in 1964 opgestelde dorpsgeschiedenis geeft hij aan dat in het jaar 1895 het dorp Ulrum ± 160 huizen met boerderijen, 2 fabrieken, 2 molens en 2 kerken bezat.
In het dorp zelf was toen weinig licht bij nu vergeleken. Er waren niet meer dan zestien lichtpunten over het gehele dorp verspreid. Petroleumlampen, welke elke morgen weer werden schoongemaakt en bijgevuld. Het eerst werd dit werk gedaan door Coenraad Reukema, opgevolgd door Gebr. Musters, later door Sjoerd Schutter. Er waren toen 24 van deze lichtpunten waar je op aan kon lopen.
Daar wordt dus al gesproken over petroleumlampen, wat dus in 1834 nog niet het geval kon zijn geweest.
 
In Spanningen en Konflikten komen we op pagina 21 een foto tegen van de Ned.Herv.Kerk van vóór de restauratie van 1917. (foto Gron.Volksalm.1918) Op deze foto is duidelijk (petroleum) straatlantaarn te zien, waarvan er dus in 1895 zestien stonden.
Op de tekening van de soldaten in de Kerkstraat (zie aflevering Soldaten naar Ulrum) zien we ook op de achtergrond die lantaarn terug.
Helaas heb ik al met al niet kunnen achterhalen hoeveel lichtpunten en in welke vorm in 1834 in het dorp stonden. Lezers die hierover iets kunnen melden mogen dit graag doorgeven via ulrum1834@gmail.com.
 
Plezier
De duisternis hoefde niet altijd beangstigend te zijn, maar had ook zijn leuke kanten. In het romannetje “Kruisdragers, een Groningsch verhaal uit het Ulrum van 1834” [uitgave J.H. Kok, Kampen, 1934] wordt in hoofdstuk XIII omschreven hoe na een schaatsronde in februari de jeugd vanaf Leenstertillen terug gaat naar Ulrum. In dat hoofdstuk ook de bevestiging van de olielamp.
Tegen donker wilden de meeste schaatsenrijders thuis zijn. ’t Jonge volk echter kwam graag wat later. […] Eindelijk brak de tijd van heengaan aan. Maar hoe moesten ze dan rijden? Want ze zouden paarsgewijze gaan, dat was gewoonte. Elk van de jongens zou een meisje thuisbrengen. [...] De olielamp was al uit voor de zin uit was. En dat was het sein voor de opstelling. De afspraken waren soms al gemaakt en dan gaf ’t strubbeling en teleurstelling. Gewoonlijk was dat niet ’t geval en dan zocht ieder een meisje in ’t donker. Dan werd ook wel eens misgetast en kwam men bedrogen uit als Jakob met Lea. ’t Was al eens gebeurd, ’t vorige jaar, dat Bertus Brandhuis met zijn zuster op de knie zat, wat groote pret veroorzaakt had, toen er weer licht kwam. Een andere keer had Griet Vink, ouwe Jan Derks, die toevallig ongemerkt was binnengekomen, omhelsd. Hij protesteerde op een heel zachte manier: “Ho wicht, je bent verkeerd, ik ben’t, Jan Derks”. ’t Geval had onder ’t jongvolk groote vrolijkheid verwekt; tientallen jaren lager kwam ’t geval nog dikwijls ter tafel.   
 
Teenstra
Marten Douwes Teenstra bericht in zijn voorwoord van zijn boek Volksverhalen en Legenden [1843] dat de Ulrummers in 1834 graag de spreekwoordelijke kat in het donker knepen.
Te Ulrum alwaar het driest gemeen nog steeds aan spoken en duivelskunsten gelooft, alwaar de reeds vroeger in de kerk bedorvene fijnen zich als afgescheidenen van deugd en goede werken, afzonderen, en dikwerf in het duister (hetgene zij zoeken) bijeenkomsten houden, om zich in een stil uur aan allerhande ongeregtigheden, godslasteringen, omhelzingen en onkuischheid toe te geven, welke dan ook maar al te dikwerf in eene vruchtbare bespiegeling eindigden, en waarvan te Ulrum, in meer dan een huis, het levende Corpus delicti voorhanden is, terwijl het tevens eene daadzaak is, dat alle onechte kinderen van de hier in kwartier gelegen hebbende soldaten, vrome, zoogenaamde Cocksiaanse moeders hadden, waarvan nu (1840) nog eenigen (zoo men zegt, zeven) in leven zijn.
 
Teenstra grijpt elke gelegenheid aan (hier dus een voorwoord in een boek over bijgeloof) om zijn onvrede over De Cock en zijn geloofsgenoten te uiten. Nog 3 pagina’s gaat hij hierover door. We zijn het inmiddels van hem gewend.
Het stelt hem echter wel in een wat ander daglicht met het bericht dat we enige tijd geleden ontvingen van één van de lezers van onze website. Een ontdekking waar meester Van Weerden jaloers op zou zijn geweest:
 
De heer Jan van Schaik, geboren in 1948 te Paramaribo, Suriname kwam bij zijn research naar zijn stamboom tot de constatering dat Marten Douwes Teenstra in Suriname twee kinderen had bij Cornelia Jacquelina Godefroy.
- Cornelis Unico Isak Teenstra, geboren op 08-12-1831 te Paramaribo en overleden op 12-06-1835;
- Floortje Mercurina Teenstra, geboren op 03-05-1834 te Paramaribo en overleden circa 1875.
Over de katjes in het donker knijpen gesproken.
 
bronvermelding:
www.laathetdonkerdonker.nl
Nederlandse Volksverhalen, M.D. Teenstra; Kruisdragers, S. Hamveld;
Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.


Vorige pagina: Het verloren Asingabezit Volgende pagina: Kinderspelen 2