Print deze pagina

Drankmisbruik

Eerder schreven wij over de feestdagen van 1834 (en nu). We maken even een uitstap naar een ander onderwerp, hoewel dit ook veel met de feestdagen heeft te maken: drankgebruik.

In zijn boek Spanningen en Konflikten schrijft Van Weerden dat het schenken van sterke drank, in hoofdzaak jenever en brandewijn, een algemeen gebruik was op het platteland, waar eigenlijk niemand aanstoot aan nam. Over de gehele linie, van rijk tot arm, werd rijkelijk alcoholische drank gebruikt. Elke gelegenheid werd aangegrepen om een borrel te drinken. Niet alleen op hoogtijdagen als bruiloften en nieuwjaarsdag, ook bij allerlei andere feestelijke gelegenheden als kermissen, harddraverijen, boeldagen, koolzaaddorsen en nog verschillende meer, werd ontzettend veel gedronken.

Altijd tijd voor een borrel

Een citaat uit “Kruisdragers, een Groningsch verhaal uit het Ulrum van 1834”:  

Na de koffie werd de flesch aangesproken; dat sprak zóó vanzelf, dat men na een bezoek van wat langere duur en op dit uur van de dag …het den boer zeer kwalijk zou hebben genomen, wanneer hij geen borreltje had geschonken. ’t Heele dorp had er misschien wel schande van gesproken. Hoewel de bevolking van Ulrum in die tijd zuinig leefde, werd er toch veel gedronken.

In huizen waar veel bezoekers kwamen werd de gevulde karaf ook op gewone dagen op de tafel geplaatst. Het was een teken van gastvrijheid. Elf en vijf uur was bovendien voor elke heer des huizes de vaste tijd voor een borrel. Zakenlieden, kooplieden, die veel bij de weg waren en veel huizen bezochten, liepen groot gevaar aan de drank te raken; elke koop of overeenkomst werd beklonken, de tijd van de dag deed niet ter zake.

Vrouw Hofland vroeg de bezoekers of ze een “zeupke” lustten en na een toestemmend antwoord, waarbij eerst even naar de groote holfkastklok werd gekeken, zonder zich evenwel om ’t late uur in ’t minst te verontrusten, vroeg vrouw Hofland: “Wat wil je hebben, helder of een beetje zacht?”. Met zacht werd citroenbrandewijn bedoeld, waarin kandygruis was gesmolten. 

Van Weerden citeert uit “Levensherinneringen” van landbouwer, later kamerlid G. Zijlma (1844-1922) hoe in diens jeugd in het veerhuis te Roodehaan verkocht vee moest worden afgeleverd aan de koopman. “Het huidige Reitdiep, toen Hunzeboezem, stond nog in open verbinding met zee en men was dus afhankelijk van het getij om te kunnen varen. Zo kon het gebeuren dat boer en koopman in het prille morgenuur, na de ochtendkoffie, al rode en witte wijn zaten te drinken, terwijl de knechten, die bij het veedrijven behulpzaam waren geweest, zich in de een verdieping lager gelegen gelagkamer zo duchtig te goed deden aan brandewijn met suiker, dat de terugreis naar huis soms strompelend en met moeite werd volbracht. Het was gebruikelijk voor elk geleverd dier één gulden korting te geven, te verdelen als volgt: 25 cent voor het hoorntouw, 50 cent vertering voor de boer en 25 cent voor de knechten. Meestal werden meerdere stuks vee tegelijk afgeleverd, zodat er een aanzienlijk bedrag in koffie, wijn en brandewijn kon worden omgezet, terwijl de prijs daarvan niet hoog was. De brandewijn b.v. kostte 55 cent per mingel ( = 1,2 liter).”

Kroegjes

De toenemende rijkdom van de boeren had een splitsing gegeven; de boerenfamilie woonde in het voorgebouw, voor het inwonende personeel werd een bodenkamer ingericht op de ‘achterdeel’. Een schamel vertrek zonder voldoende verlichting en verwarming, zonder voldoende meubilair, zonder enige gezelligheid. Dit dreef de boerenjongens de straat op, waar ze terechtkwamen in de stuiverskroegjes, die als paddestoelen uit de grond verrezen. Drankmisbruik en vechtpartijen, met gebruik van messen en scherpgeslepen geldstukjes, vormden regelmatige excessen. Het optreden van de dorpspolitie hiertegen was weinig effectief, want oude veldwachters waren schier zonder uitzondering drinkebroers en van deze was geen verbetering in de toestand te verwachten. Een sluitingsuur kende men niet. Alcoholvrije dranken waren totaal onbekend. Op dorpsfeesten ging men na de koffie uit de kraantjespot al snel over op Bordeaux-wijn, ’s winters ook wel op hete punch. Het aantal lege flessen onder de tafel was de basis van de rekening. En dat aantal was vaak niet gering. Op vergaderingen was na de koffie een halve fles wijn regel, een kwart fles punch heette matig. In de “jachtweide”(= gelagkamer) werd naast koffie, thee en melk sterke drank geschonken; alleen in de zomer kon men bier krijgen, uit het vat geschonken.

Smokkel

Het internet maakt het ons gemakkelijk om een prijzenvergelijking te maken; de eerder genoemde ƒ 0,55 van 1834 voor een 1,2 liter brandewijn zou nu overeenkomen met € 5,45. Een literfles Hooghoudt citroenbrandewijn kost nu zo’n € 10,00 wat betekent dat de drank nu dubbel zo duur is. Van Weerden gaf al aan dat de prijzen als laag konden worden beschouwd, “ze lagen binnen het bereik van het grootste deel der bevolking”. Toch waren er velen die op een nog goedkopere wijze aan sterke drank wisten te komen door smokkelhandel via het Wad. De kommiezen, hoewel ze natuurlijk af en toe een smokkelaar op heterdaad betrapten, waren niet bij machte de sluikhandel te verhinderen. Volgens een pamflet van 1831 ging zelfs de ontvanger der rijksbelastingen A.J. van Drongelen te Leens niet vrij uit.

H. de Cock

Ik heb in de afgelopen jaren een lijst gezien van de door ds De Cock genuttigde drank in de periode dat hij in de gevangenis zat. Helaas weet ik niet meer in welk boek die lijst opgenomen was. Wie het weet mag het graag laten weten via ulrum1834@gmail.com.

M.D. Teenstra

In het pamflet “Ulrum zoals het is, enz” worden de vergaderingen te Ulrum bid- en drinkclubs genoemd. Van Weerden wist het pamflet als van de hand van Teenstra wist te herleiden. Teenstra liet zich hierin ook ten opzichte van De Cock en Beukema zeer beledigend uit over hun drinkgewoonten. Maar met het bedekt verwijt dat De Cock met de olle baas bakker die er ook niet in spuwt een bittere borrel wil gaan drinken kan Teenstra nauwelijks een misbruik hebben bedoeld. Teenstra namelijk nam zelf ook wel deel aan partijen waarbij de sterke drank niet gespaard werd, getuige b.v. het door hem vervaardigde gedicht “Een Steur in de Fuik”.  

Anderzijds veroordeelde Teenstra [onder het pseudoniem Erichthonius te Louten] in zijn tijdschrift “De Diligence” in 1838-1839 het misbruik van sterke drank en adviseerde tot matigheid. Hij verwees naar een in 1838 verschenen boekwerkje “Verhandeling over de Dronkenschap en derzelver gevolgen enz”. Een studie van prof M. van Geuns “Jenever erger dan de cholera” over het gebruik en misbruik van sterke dranken, door ds Heldring tot een volksboek omgewerkt, verscheen een jaar later. De Volksbond tegen Drankmisbruik werd opgericht in 1875. Er kwam langzaam aan een besef van het drankmisbruik. Maar zoals Van Weerden al schreef: “Men zal dus ten tijde van ds De Cock ook te Ulrum een algemeen en veelvuldig gebruik van alcoholische dranken hebben kunnen constateren. Dat iemand niet meedeed, was eenvoudig ondenkbaar.”

 JT

bronvermelding:

Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden [1967]; Kruisdragers, S. Hamveld [1934];  iisg.nl.

 



Vorige pagina: Feestdagen 3 Volgende pagina: Ziektes