Print deze pagina

De snik

Het vervoer in ons jaar 1834 ging voornamelijk te voet, per paard/rijtuig of per trekschuit, oftewel in het Gronings een “snik”.

De waterwegen waren beter dan de landwegen, al was er eeuwenlang geen sprake van geregeld onderhoud geweest. Regelmatig bleven er snikken in de modder steken en moest de snikvaarder zich met een baggerbeugel een weg banen. Pas na herhaalde klachten bleek het Provinciaal bestuur bereid de ondiepten op te ruimen. In 1660 werden de laatste gedeelten van het trekdiep en jaagpad naar Ulrum voltooid.

In het begin was zo’n snik een primitief, open schuitje. Toen konden de passagiers nog zingen “In dese schuyt sat men te bloot, als son en regen daerop goot”.

Later werd de trekschuit weliswaar overdekt, maar een roef ontbrak. Men zat bij een vetkaars zonder enige ventilatie in een holle ruimte. Geen wonder dat in 1738 het roken van tabak in de trekschuiten werd verboden. Pas bij de Statenresolutie van 1782 werd een roef (kajuit) op de snik verplicht gesteld.

Ulrum was eeuwenlang het eindpunt van de snik van en naar de stad Groningen. De straat Snakkeburen herinnert er nog aan dat hier het eindpunt van de snik was; de Snikstal.

 

De Groninger snik
De Groninger snik had twee mastkokers, één aan iedere kant, zodat de uitneembare mast aan de zijde waar het paard liep geplaatst kon worden.

Uiterlijk werden Groninger snikken gekenmerkt door de sterk voorover hellende voorsteven en een smalle achtersteven die loodrecht uit het water kwam.

Groninger snikken werden in 16de eeuw voor het eerst vermeld. Tot aan de eeuwwisseling van 19e/20e eeuw werden ze van hout gebouwd, daarna van staal. Later werden sommige stalen snikken tot de jachten omgebouwd, terwijl oudere houten snikken volledig verdwenen zijn.

De Groninger snik kende drie bemanningsleden: de schipper of snikkevaarder stond aan het roer, de knecht bij de mast en de snikjong of het jagertje liep naast het paard. Vooral de knecht moest goed opletten dat de lijn waarmee het paard met de mast verbonden was niet bleef haken. De snik kon een snelheid halen van zeven kilometer per uur.

De geleerde reiziger Zacharias von Uffenbach reisde kort na 1700 van Delfzijl naar Groningen. Hij geeft een treffende beschrijving van het reizen per snik: "Men noemt deze vaartuigen hier Schnecken, wat helemaal geen slechte benaming is, want het is net alsof je in het huisje van een slak zit, en daarin ongemerkt voortgaat. Ze hebben daarbij hier nog iets bijzonders dat je in Holland niet aantreft, namelijk dat de scheepsjagers, dat zijn hele kleine jongens (vaak niet ouder dan acht jaar) die de paarden berijden, net zulke hoorns als de varkensherders in Duitsland hebben omhangen, waarop ze blazen als ze langs een dorp varen, daaruit vertrekken of er aankomen".

Groninger snikken werden gebruikt voor vee-, vracht-, en reizigersvervoer.

Bij armoedige schippers die zich geen paard konden veroorloven, werd de snik door mensen getrokken, vaak de vrouw of de kinderen van de schipper. Vooral toen de snik concurrentie kreeg van ander vormen vrachtvervoer, aan het begin van de 20e eeuw, gebeurde dit meer en meer.

Er zijn veel beschrijvingen van het reizen per snik door het Groningerland bewaard gebleven. De oudste daarvan dateren uit het einde van de zestiende eeuw. Aanvankelijk prezen buitenlanders het comfort, de vaste dienstregelingen en de betaalbaarheid van de reis. Later veranderde de toonzetting. "Ik had niets anders dan grove boeren als gezelschap, die zich voor een paar stuiver van het ene dorp naar het andere laten brengen", klaagde een Duitse geleerde in 1762. "Het vaartuig is beladen met kwalijk riekende lieden; er bevindt zich tenminste een handvol Jan Hagel daartussen, die het aan uitwasemingen, vooral van hun tabakspijpen, niet ontbreekt", meende een ander in 1768. Anderen prezen echter het democratische karakter van de trekschuit en de mogelijkheid met allerlei mensen van verschillende standen aan de praat te komen.

Van de trekschuit van Gouda wordt gezegd; De trekschuit vertrok op tijd en wachtte niet op laatkomers. Als de schuit te laat aankwam, moest de schipper vaak het reisgeld aan de passagiers terugbetalen. Of dat ook in Ulrum het geval was weet ik niet (JT).

Van de snik van Ezinge kwam ik het volgende voorval tegen: Een passagier, een jongeman, sloeg overboord en verdronk op de terugreis uit de stad. Het was in mei, in de zogenaamde ‘vrijweek’. Alle boerenknechten en –meiden hadden dan een week vakantie en vermaakten zich zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Een bezoek aan de Groninger kermis ontbrak natuurlijk niet. Hij zal wat wankel op zijn benen hebben gestaan.

Sniklaidjes
Er waren versjes van vele plaatsen in omloop. Van Ulrum zijn de volgende bekend: 
Noatje, moak de kovvie kloar,
Schuit dij komt der aan.
Dominee van Ollerom
Slagt zien wief mit kovvietrom.
Ollerom, bie bollerom
Doar staait n spitse toren;
’s Oavends as de snik aankomt
Din blast vint op ’t horen.
Mouder heie kovvie kloar
Snik dij ligt weer veur ien ’t Moar
Voai dij is weer doen.
Bij de nadering van een brug, gehucht of dorp werd de komst van de snik aangekondigd met het volgende hoorndeuntje van de snikjong: 

Weer een Ollerommer snik?
Vanuit de PvdA en CDA De Marne werd eind 2008 het rapport ‘Waterloop’ gepresenteerd waarin men pleitte dat, als unieke toeristenattractie, er weer een snik tussen Ulrum en Leens langs het trekpad zou moeten komen. Eerder had, als uitvloeisel van de dorpsvisie 2002 na de gehouden dorpsenquête, in 2004 de werkgroep Toerisme en Cultuur geadviseerd tot herstel van het trekpad, met aanleg van een betonnen fietspad en daarnaast ruimte houdend voor een jaagpad waarlangs ooit paard met “snikjong” weer zou kunnen gaan. Nog eerder had in 2001 in de rapportage ‘Ulrum naar de toekomst’ ook de adviesgroep voor Dorpsbelangen Ulrum aandacht gevraagd voor de historie van het trekpad voor de Ollerommer snik.

JT

bronvermelding: Wikipedia.org; Met de boderijders naar Groningen, W Mollema; Dorpsvisie en rapporten Ulrum.



Vorige pagina: Bijgeloof Volgende pagina: Het Hunsingokanaal