Print deze pagina

De heren 14

In het dorp Ulrum woonden rond 1834 ongeveer 950 mensen. Dit omvatte het gebied dat we nu als Olle Kern aanduiden en de boerderijen. De burgerlijke gemeente Ulrum telde toen ruim 2500 inwoners. In die samenleving hadden de grote boeren in de periode 1780-1820 hun positie flink weten te versterken. Dit was ten koste gegaan van de landadel, zoals de Heer van de borg Asinga in Ulrum. Er was in die tijd ook een sociale verwijdering ontstaan tussen de boer en zijn arbeiders. Dit uitte zich ondermeer daarin dat de inwonende arbeiders niet meer, zoals vroeger, deelnamen aan het gezinsleven van de boer, maar men gebruikte – bijvoorbeeld - de maaltijden apart.

Crisisjaren
Rond 1820 kwam er een eind aan de bloei in de landbouw: de graanprijzen kelderden, ziektes heersten onder het vee en onder de mensen, overstromingen teisterden in 1825 het noorden, de jaren die volgden waren zeer nat – veel boeren konden het niet meer bolwerken op hun bedrijf. Die neergang had ook neerslag op het inkomen van de arbeider, de ambachtsman en de winkelier. Tekenend is, dat in die tijd het kerkhof en het armenhuis vergroot moesten worden in Ulrum.

Einde adel, opkomst boeren
Een belangrijk gegeven in de ontwikkeling van Ulrum is de liquidatie van het huis  Asinga geweest. Na de Franse tijd waren veel van de oude rechten van de adel wel weer hersteld, maar de adel in Groningen had vóór die tijd, in de 18e eeuw, een economische achterstand opgelopen waardoor ze zich ten opzichte van de nieuwe bovenlaag van de 19e eeuw (hoge burgerij en grote boeren) niet kon handhaven. Dat had mede te maken met de manier waarop de staten van Groningen in de 18e eeuw de verkoop van het enorme grondbezit van de kloosters - dat na de reformatie in de 16e eeuw in bezit van de provincie was gekomen- had afgehandeld en met het daarmee in verband staande pachtsysteem (beklemrecht).

 

In 1809 kwam, op  afbraak, te koop “het hoog adelijk huis Azinga te Ulrum”.

De adel bleek niet in staat haar oude glorie te herstellen en kwam geleidelijk aan tot verval. Zo verdween, in de 19e eeuw in Groningen het overgrote deel van de borgen. De bijbehorende rechten en grondbezit kwamen merendeels in handen van de bovengenoemde nieuwe elite. Niet alleen de machtsverhoudingen veranderden zodoende. Met het verdwijnen van de borgen en de bijbehorende parken, singels enzovoort, veranderde ook het aanzien van de dorpen.

De Heren-veertien
Meer specifiek voor Ulrum gold, dat veel van de heerlijke rechten van Asinga in bezit kwam van een groep van veertien vermogende  boeren. Daarbij behoorde ook het recht om de hervormde dominee  te beroepen. (Dat heette het collatierecht en degenen die dat recht hadden heetten collatoren.) Het kon haast niet uitblijven dat het aanstellen van een nieuwe dominee een bron van onenigheid werd tussen de collatoren en ‘het gewone’ kerkvolk (de meerderheid der kerkelijke gemeente). Te meer niet omdat ‘de gewone man’ over ’t algemeen vasthield aan de orthodoxe ‘oude leer’ en velen van de kerkelijke elite (waaronder de collatoren)  over ’algemeen ‘van de nieuwe’ waren, dat wil zeggen dat zij de voor die tijd moderne, niet-orthodoxe opvattingen aanhingen.
In Ulrum kwam dat sluimerende conflict inderdaad tot leven in de jaren 1824-1826, toen de gemeente voor het eerst werd ingeschakeld bij de benoeming van een predikant. Voor het eerst mocht de kerkenraad, als vertegenwoordiger van de gemeente, een dominee beroepen; maar de collatoren moesten hem nog wel officieel benoemen.

Onenigheid
Toen de collatoren in 1824 aan de kerkenraad voorstelden de dominee van Eenrum, Cramer Von Baumgarten te benoemen, weigerde de kerkenraad. De broeders  kwamen in ’t geweer: ze stuurden een brief op  hoge poten naar de  gouverneur van de provincie Groningen,  waarin ze stelden dat de collatoren niet bevoegd waren hun recht uit te oefenen. Als zwaarwegend argument brachten ze daarbij naar voren dat slechts één van de collatoren belijdend lid van de kerk was;  drie van hen waren zelfs helemaal geen lid - ze waren doopsgezind.

In ieder geval: de kerkenraad en de collatoren werden het niet eens over de vraag wie de nieuwe dominee zou worden. En die onenigheid duurde tot 1826, toen eindelijk een dominee benoemd werd door de collatoren waarmee de kerkenraad kon instemmen: Petrus Hofstede de Groot. Op 10 december 1826 deed deze zijn intrede.

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat veel Ulrumers – en de overgrote meerderheid van hen behoorde  tot de hervormde gemeente  - reden hadden ontevreden te zijn. Zij voelden zich wellicht tekort gedaan in hun rechten en hun maatschappelijke situatie was vaak niet best. En in die omstandigheden kwam het in 1834 binnen de kerk tot de Afscheiding.
Een sociaal conflict dus eigenlijk? De maatschappelijk achtergronden speelden een rol, maar daarmee is natuurlijk het verhaal van de Afscheiding niet compleet. En daarmee is ‘Ulrum 1834’ niet compleet. De zaken van kerk en godsdienst komen hier later nog meer specifiek aan de orde.

P. vd Burg

Bron: ‘Spanningen en Konflikten; Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834’ van J.S. van Weerden (1967).



Vorige pagina: Een veranderende wereld Volgende pagina: Conventikels