Print deze pagina

De Groninger dracht

Tijdens de gastendag op 24 september 2011 zal, op onze uitnodiging, voor u optreden het kostuumgezelschap De Gouden Leeuw. Het is aanleiding om ons samen eens te verdiepen in de Groninger dracht van ons jaar 1834.

 

De Groninger dracht [1790 tot 1865]

De ontwikkeling van de Groninger dracht loopt grotendeels parallel aan de economische ontwikkeling van de provincie. Daarvoor verantwoordelijk was de nieuwe elite, die opkwam in de eerste helft van de 19e eeuw: de boerenstand. De boeren waren in de periode vóór 1800 jarenlang geplaagd door de runderpest en waren tengevolge daarvan massaal overgestapt van veeteelt op graanbouw. In de Franse tijd verbeterde de welstand aanzienlijk door hoge graanprijzen, bevolkingsgroei (en dus goedkope arbeidskrachten) en stabiele lage pachtprijzen. Handel floreerde en scheepvaart bloeide. Het duurde niet lang of de koperen oorijzers, typerend voor de Groninger dracht, werden van zilver en nog later werd het zilver vervangen door goud*. De sieraden werden ook steeds mooier en duurder.

Kort na 1800 was de kleding in Groningen rijk en uitbundig; kenmerkend waren de rokken en jakken gecombineerd met schort of tipdoek, en de hoofdtooi, waarbij de oorijzers en mutsen onmisbaar waren. Zo werd de dracht bepaald door, in de eerste plaats, de maatschappelijke status en financiële mogelijkheden en, op de tweede plaats, de regio waar men woonde.

 

Oorijzers

Tot halverwege de 19e eeuw hoorden de oorijzers onmiskenbaar bij de Groninger dracht: de dames van de gegoede burgerij plachten de oorsieraden te dragen als teken van welstand. Maar de tegenstand tegen het 'hoofdgestel' groeide. In 1856 schreef dominee J.J. Bange het pamflet 'Het vaarwel aan de oorijzers', als steun aan de Damesverenigingen van Winschoten en Pekela, die hadden besloten het oorijzer of 'hoofdgestel' af te zetten. Het oorijzer werd door de tegenstanders gezien als een symbool van de achterhaalde cultuur: het paste niet in het Verlichtingsdenken van die tijd. Anderen waren echter vurig voorvechter. We weten uit testamentaire beschikkingen dat ouders hun dochters voor het achttiende levensjaar met een oorijzer wilden zien. Het veertiende levensjaar was soms ook gebruikelijk. Wat ook voorkwam was dat een vrouw afstand moest doen van haar oorijzer bij een executieverkoop, wat een pijnlijke en vernederende ervaring was.

Dit hebben we al kunnen lezen in ons verhaal over het bijgeloof. De overleden Attje Jans Huizinga, de eerste vrouw van olle boas bakker Beukema, scheen geen rust te kunnen vinden. Niet omdat zij boos was dat de bakker al zo kort na haar dood weer hertrouwd was, maar omdat zij haar gouden* oorijzer aan haar kleindochter Attje beloofd had en de olle baas het niet wilde afgeven.

*Teenstra benadrukt hier dat het om een echt gouden oorijzer ging. “Geen Ulrummer goud, dat is valsch en geel, het zinnebeeld van onze tegenwoordige eeuw, verguld koper!”. Daarover wordt in de voetlijn nog opgemerkt; Dit verguld koper, als hoofdversiersel, kwam voor eenige jaren meest algemeen te Ulrum in gebruik, van waar men het de naam van Ulrummer goud gaf.

De moderne tijd maakte dat er steeds meer protest kwam tegen de oorijzers: "De oorijzers moeten weg en de kanalen moeten er komen."

In de Groninger dracht kwamen verschillende stijlen tot ontwikkeling: vanaf de achttiende eeuw onderscheiden we de Empirestijl, na de Franse tijd, de Romantiek, en de Biedermeierstijl. Met het verdwijnen van de oorijzers, rond 1865, kwam een einde aan het typisch Groningse van de klederdracht van die tijd: de mode had definitief zijn intrede gedaan. De periode 1850-1865 kenmerkte zich door de voortschrijdende technologische ontwikkelingen en de opkomst van de bourgeoisie. De opkomst van de naaimachine en machinale vervaardiging van stoffen werden de basis in de confectie-industrie. Modebladen maakten het mogelijk dat de gegoede burgervrouw de mode op de voet kon volgen. De mode kwam nog steeds uit Frankrijk. En aangezien de burgervrouwen mode gingen dragen, wilden de vrouwen van hogere stand zich onderscheiden. Zo ontstond de haute-couture, in het ontstaan waarvan de vrouw van Napoleon III, keizerin Eugénie, een belangrijke rol speelde. En kwam er een einde aan een kleine 100 jaar Groninger dracht die na 1790 was begonnen.

 

Hoge hoeden

Hoewel men al in de 16e eeuw hoge hoeden droeg, werden deze pas in 1797 met zijden pluche bekleed. De 'Hoge Zije' komt vanuit Engeland via Frankrijk naar ons overgewaaid. In de Empire-periode (1800-1850) zijn de hoeden hoog en recht, 'kachelpijpen'. In deze vroeg Victoriaanse tijd, dus vanaf plusminus 1830, waren de hoge hoeden erg hoog tot wel 20 cm. De hoogte werd later in de Victoriaanse tijd van 1837 tot 1901 teruggebracht tot 16 à 17cm. Verder kreeg de hoge hoed zo rond 1890 een grotere 'kroon': hij leek getailleerd. Vanaf ± 1920 tot op heden is de hoge hoed zo'n 12 à 13 cm hoog.

We moeten dus concluderen dat de hoeden die we gebruiken bij ons evenement veel te laag zijn. Maar ach, een kniesoor die daar op let. Overigens zullen er in het Ulrum van 1834 meer petten zijn geweest van de gewone man dan hoge hoeden, al zullen de welgestelde boeren daar zeker mee gepronkt hebben.

 

JT

bron: www.hetverhaalvangroningen.nl

MD Teenstra, Nederlandse Volksverhalen.

www.hogehoeden.nl



Vorige pagina: Kermis Volgende pagina: Slavernij