Print deze pagina

De bekeerde de Cock

In het vorige deel zagen we dat dominee Hendrik de Cock, toen hij in Ulrum stond, zich bekeerde tot de oude gereformeerde leer zoals die is vastgesteld op de synode van Dordrecht (1618-1619) en daarmee veel aanhangers trok. We lezen verder in het boek “Spanningen en Konflikten; Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834” van J.S. van Weerden.

Brochures
De Cock ging ondertussen voort op de ingeslagen weg, naar buiten in steeds heftiger wordende preken, en al spoedig ook in brochures, waarin hij zijn collega-predikanten valse leraars noemde, omdat zij van de oude leer waren afgeweken en de mensen naar het eeuwige verderf leidden. Zijn tegenstanders lieten zich evenmin onbetuigd en alle voortekenen wezen er op, dat de tegenstellingen, zouden uitgroeien tot een conflict.

Met de naastwonende collega´s ontstond wrijving, doordat De Cock zich bemoeide met de geestelijke zorg in hun gemeenten, waarvan hij zich naar hun mening verre had te houden. Hij bleef in zijn houding volharden, ook toen Prof. Hofstede de Groot (zie deel 5) vanaf 1832 mondeling en schriftelijk hem tot andere gedachten trachtte te brengen. Nog meer voelde hij zich geprikkeld, toen er bijna gelijktijdig twee werkjes verschenen, die meer bepaald tegen de aanhangers van de gereformeerde leer waren gericht, het ene van ds. L. Meyer Brouwer te Uithuizen, onder de titel: “Nodige waarschuwing en heilzame raad aan mijne gemeente”, en het andere van dr. G. Benthem Reddingius te Assen, met als titel: “Brieven over de tegenwoordige verdeeldheden en bewegingen in de Hervormde Kerk”.

Op een classikale vergadering te Onderdendam kwam het tot een bespreking van deze geschriften en daarin vond De Cock aanleiding om tot verdediging van zijn inzichten de pen op te vatten. Nadat hij eerst een nieuwe uitgave van de Dordtse Leerregels had verzorgd, die volgens hem aan bijna niemand meer bekend waren, schreef hij een brochure tegen de door de twee bovengenoemde predikanten uitgegeven werkjes. De brochure wekte, door haar uitdagende titel: “Verdediging van de ware Gereformeerde Leer en van de ware Gereformeerden, bestreden door twee zoogenaamde Leeraars, of De Schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, Gereformeerd Leeraar te Ulrum”, opzien en verontwaardiging.

Doop
Nog meer tegenstand ondervond De Cock toen ouders uit andere dorpen hun kinderen door hem lieten dopen. In november 1833 diende dominee Du Cloux van Vierhuizen bij het Classikaal Bestuur van Onderdendam een aanklacht tegen De Cock in wegens overtreding van de kerkelijke reglementen.
Op 3 november van dat jaar had hij namelijk twee kinderen uit Vierhuizen gedoopt, zonder toestemming, die volgens ds. Du Cloux nodig was, omdat de dopelingen uit een ander kerspel kwamen. Ofschoon de reglementen dit niet verboden [pas in 1842 bepaalde de Synode der Nederlands Hervormde Kerk, dat een doop buiten de gemeente niet toegestaan was zonder schriftelijke toestemming van de predikant] zou De Cock over deze handelingen gehoord worden door een commissie van onderzoek.

De commissie bezocht op 18 november de pastorie te Ulrum en bracht daar naast de doopkwestie meteen de pas uitgekomen brochure van De Cock ter sprake. Ze bracht rapport uit over deze samenspreking en toen ds. De Cock ondanks alles toch voortging met het dopen van kinderen uit andere gemeenten en daarover opnieuw klachten binnen kwamen, ontving hij een oproep om op 19 december 1833 voor het Classikaal Bestuur van Middelstum te verschijnen, om zich daar over zijn houding te verantwoorden.

Schorsing en ontzegging uit het ambt
Nog in de avond van diezelfde dag werd hem het vonnis van het Classikaal Bestuur thuisbezorgd: schorsing voor onbepaalde tijd, weliswaar met behoud van traktement.
Men krijgt de indruk, dat niet zozeer het dopen, als wel de wijze, waarop hij tegen Meyer Brouwer en Benthem Reddingius in het strijdperk gestreden was, in dezen de doorslag had gegeven.

De geestverwanten van De Cock waren verontwaardigd over de uitspraak van het Classikaal Bestuur en spoorden hem aan,  zijn dienst te blijven vervullen. Maar De Cock onderwierp zich aan de schorsing, weliswaar onder protest. Hangende dit protest onthield hij zich van de predikdienst en het bedienen van de sacramenten. Wel schreef hij in die dagen een voorrede in een boekje over de Evangelische Gezangen; “Getoetst, gewogen en te licht bevonden”, geschreven door Jacobus Klok, verver en koopman te Delfzijl. Deze voorrede, waarin hij op felle wijze tegen de in 1805 ingevoerde gezangen ageerde, leverde aan zijn tegenstanders het middel hem voorgoed onschadelijk te maken. Het Provinciaal Kerkbestuur schorste hem op 1 april 1834 voor een periode van twee jaar, nu zonder behoud van traktement; ruim 8 weken later, op 29 mei 1834 werd die gevolgd door definitieve ontzegging uit het ambt.

Nog wilde hij zich niet van de kerk afscheiden; eerst wilde hij alle mogelijkheden aanwenden die tot zijn herstel in de dienst zouden kunnen leiden. Uitgebreide rekwesten werden bij de Synode ingediend, niet alleen door De Cock, ook door de Ulrumer kerkenraad. Zelfs werd een brief over de kwestie aan de koning geschreven. Door een commissie uit de Synode werden de ingekomen stukken onderzocht en gewogen, met het gevolg dat de Synode wel het schuldig uitsprak, maar tevens aan het Provinciaal Kerksbestuur te kennen gaf dat zij met haar strenge maatregelen wel enigszins voorbarig was geweest. En zo kreeg De Cock zes maanden tijd om zich te bezinnen. Door het Provinciaal Kerkbestuur werd hem een verklaring voorgelegd, die hij binnen een half jaar moest ondertekenen. Als hij niet tekende zou afzetting volgen.

De Cock heeft niet getekend en daarmee werd de weg gebaand voor de afscheiding uit het kerkverband dat hij enige jaren als predikant gediend had. Toch was het zijn wil niet uit te treden, doch zijn volgelingen, en vooral zijn geestverwant dominee Scholte van Doeveren, spoorden hem daartoe sterk aan. De laatste kwam zelfs naar Ulrum om met eigen ogen de toestand op te nemen. Dit was op donderdag 9 oktober 1834. Onmiddellijk werd hij door de kerkenraad uitgenodigd om de volgende avond in de kerk van Ulrum te komen preken en dopen. Hoewel de consulent, dominee Smith van Leens tot tweemaal toe weigerde zijn toestemming hiervoor te geven, zag men kans met hulp van Simon Sluiter, de zoon van de klokluider, de kerkdeur open te krijgen.

J. Tuma

Bron: ‘Spanningen en Konflikten; Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834’ van J.S. van Weerden (1967).



Vorige pagina: Conventikels Volgende pagina: De afscheiding