Print deze pagina

Conventikels

We zagen dat met de val van de landadel (Asinga) de collatierechten, het recht om een dominee te beroepen, in handen kwamen van de nieuwe elite; een groep van 14 vooraanstaande boeren. En dat er sociale onvrede heerste doordat deze heren-veertien niet tot nauwelijks aan de kerk verbonden waren. Maar deze sociale onvrede was niet de enige onvrede die heerste binnen de kerk.

Ontevreden
Al in de 18e eeuw waren vele orthodox-gereformeerden ontevreden over de vaderlandse kerk. Die kerk - tot ver in de 18e eeuw altijd de gereformeerde en vervolgens de hervormde kerk genoemd – zou ook de volkskerk, de vaderlandse of de nationale kerk genoemd kunnen worden (wij noemen haar hier verder: Hervormde Kerk). En hoewel zij officieel nooit een staatskerk is geweest, was zij wel tot de omwenteling in 1795 de enige officieel-toegestane, bevoorrechte kerk, nauw verweven met de staat; de andere kerken (katholieke, lutherse, remonstrantse en doopsgezinde - en hetzelfde gold voor de joden) werden getolereerd. Geloofs-vervolging kwam zeker in de 18e eeuw niet meer voor in de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden, maar meer dan tolerantie is het toch niet geweest.

Nu was het niet die bevoorrechte positie van de Hervormde Kerk waarover haar orthodoxe (rechtzinnige) leden ontevreden waren. Maar wel over de geest van rationalisme en vrijzinnigheid die er de overhand had gekregen. En die ontevredenheid was sterk toegenomen door het zogenaamde Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk dat Koning Willem I aan die kerk had opgelegd. Daarmee was de oude Dordtse kerkorde van 1618-1619 aan de kant gezet en, buiten de kerkelijke vergaderingen om, vervangen door een reglement dat het centrale gezag binnen de kerk in handen van de overheid legde. Een ondubbelzinnige handhaving van de aloude gereformeerde belijdenisgeschriften paste niet bij die strategie: de overheid wenste geen onenigheid in het land over leerstellige kwesties. Er diende ruimte te zijn binnen de nationale kerk voor velerlei godsdienstige opvattingen.

Het orthodoxe deel der natie protesteerde. Velen van de geletterden onder hen deden dat door middel van brieven aan de koning en ook de deftige heren van het "Reveil" (een orthodox-protestantse opwekkings-beweging, met mensen als Groen van Prinsterer en anderen) lieten zich niet onbetuigd.

Conventikels
De mindere man schreef geen brieven, maar bezocht de zgn. conventikels (godsdienstige bijeenkomsten die, buiten de officiële kerk om, bij particulieren werden gehouden) waar oefenaren de oude waarheid verkondigden. Uiteindelijk liep dit uit op een Afscheiding van een deel der orthodoxe leden van de hervormde kerk. Voor het eerst gebeurde dat in Ulrum, in 1834.

In december 1826 kon een geschil van 3 jaar tussen kerkenraad en de heren-veertien worden beëindigd met de benoeming van ds. Petrus Hofstede de Groot. Niet dat deze zo rechtzinnig was, in tegendeel – zo bleek en velen bleven de conventikels trouw bezoeken. Toen Hofstede de Groot in 1829 professor aan de universiteit te Groningen (hoogleraar in de godgeleerdheid) werd, werd zijn plaats ingenomen door zijn vriend en vroegere studiegenoot: Hendrik de Cock. Op 29 november 1829 werd De Cock in het ambt bevestigd door Hofstede de Groot. Slechts enkele jaren zouden het de felste tegenstanders van elkaar worden.

Hendrik de Cock
Hendrik de Cock werd 12 april 1801 te Wildervank geboren als zoon van een liberale burgemeester. Hij studeerde te Groningen theologie en werd in 1824 als proponent te Eppenhuizen beroepen. Zijn vrouw Frouwe Venema (1803-1889) was van moederzijde een afstammelinge van het bekende Oldambtster Tonkesgeslacht.

Toen dominee De Cock in Ulrum kwam onderscheidde hij zich in weinige dingen van alle collega’s uit de omtrek. Zijn theologische opvattingen onderscheidden zich niet van de toen gangbare liberaal-protestantse visie, dat wil zeggen een visie die optimistisch gestemd was over de mogelijkheden van de mens zelf om een positieve bijdrage te leveren aan zijn lot en meer in het bijzonder aan zijn zaligheid.

Maar in Ulrum waren er gemeenteleden, onder andere Klaas Pieters Kuipinga en Jan Jakobs Beukema (olle boas bakker) die er van overtuigd was dat mensen zelf onmachtig waren, van nature geneigd tot alle kwaad, van uit zichzelf tot niets goeds instaat en zeker niet in staat om zelf ook maar het geringste bij te dragen aan hun zaligheid. Kuipinga zette met zijn opmerking “Indien ik ook maar één zucht tot mijn zaligheid moest bijbrengen, dan was het voor eeuwig verloren” De Cock aan het denken en aan het bestuderen van de oude schriften. Anders dan zijn voorganger Hofstede de Groot voelde De Cock zich niet hoog verheven boven de merendeels eenvoudige, ongeletterde kerkgangers met hun traditionele, orthodoxe opvattingen, en hij luisterde naar hen. Langzamerhand kwam De Cock tot de conclusie dat niet hun, maar juist zijn opvattingen niet deugden. Zo werden zijn preken steeds duidelijker rechtzinnig-gereformeerd. En het zal wel onder zijn invloed zijn geweest dat de kerkenraad de aloude calvinistische tuchtoefening in de gemeente weer ter hand nam.

Het duurde niet lang of tot ver in de omgeving raakte bekend dat de dominee van Ulrum bekeerd was en de oude waarheid, gebaseerd op Schrift en belijdenis, verkondigde. Het werd zondags een drukte van belang in het dorp; ook velen uit de omgeving van Ulrum wilden bij De Cock onder het woord zitten en wensten ook hun kinderen door hem te laten dopen.

In het volgende artikel zullen we zien dat juist dat laatste kwaad bloed zette bij dominee Du Cloux van Vierhuizen. Maar ook met het feit dat hij in scherpgestelde brochures de opvattingen van de heersende kerk en met name ook van enige collega-predikanten bestreed, maakte De Cock vele vijanden.

J. Tuma

Bron: ‘Spanningen en Konflikten; Verkenningen rondom de Afscheiding van 1834’ van J.S. van Weerden (1967).



Vorige pagina: De heren 14 Volgende pagina: De bekeerde de Cock