Print deze pagina

Bijgeloof

In de greep van het bijgeloof
In het Ulrum van 1834 heerste sterk het bijgeloof. Dat wil zeggen; níet volgens een in 1828 door de Commissie van Onderwijs ingestelde enquête naar de algemene toestand van de dorpen en hun bewoners op het Groninger platteland. Maar Van Weerden twijfelt in zijn boek Spanningen en Konflikten [1967] over de conclusies van meester Buiringe daarin. Want niet alleen de kerkelijke twisten die al vrij snel na de enquête de hele beroepsbevolking in beroering brachten doen twijfelen aan de zuiverheid van het oordeel over de samenleving in Ulrum. Ook over Buiringe zijn mededeling als antwoord op punt 17 van de enquête, waarin gevraagd werd naar “spookverschijningen en dergelijke bijgeloovigheden”, dat deze in Ulrum niet te vinden waren, concludeert Van Weerden dat deze niet kloppen met de voorstelling die de naastwonende collega’s hieromtrent gaven. In het boek geeft Van Weerden nog een aantal voorbeelden van verhalen van die andere berichtgevers. Het reikt te ver om deze in dit artikel allemaal te benoemen. Maar we kunnen vaststellen dat Ulrum rond ons jaar 1834 wel degelijk in de ban van het bijgeloof was.

Van Marten Douwes Teenstra hadden we al geschreven dat hij een pleitbezorger voor afschaffing van de slavernij was, maar daarnaast ook een enorme afkeer van toverij, bijgeloof, mystiek, waarzeggerij en legenden had. In zijn voorwoord van Volksverhalen en Legenden [1843] schrijft Teenstra met het boek te willen proberen het geloof aan spookverschijningen en duivelskunsten te doen verminderen, althans te verzwakken. Hij twijfelt er zelf al aan dit te zullen bereiken want; Maar, hoor ik u zeggen, dit uw doel zult gij niet bereiken; want de gezonden zijn den geneesmeester niet van nooden en het domme bijgeloovige gepeupel is ongeneesbaar. Hebt gij niet voor verlichte verstandige menschen geschreven, het onverstandige jan hagel zal het ook niet willen lezen. En het is dus een groote dwaasheid zoo veel tijd en moeite te besteden om die wonderverhalen te verzamelen.” Om dit vervolgens te beantwoorden met si non nobis saltem posteris, dat is: indien niet voor ons, ten minste voor onze nakomelingen. Daarbij de hoop koesterend dat het opkomend geslacht toch wel niet zoo algemeen met zulke zotte vooroordelen behebt zal zijn..

Dat verdwijnen van het bijgeloof heeft toch nog wat geslachten geduurd. Mevrouw Huizenga-Onnekes, geboren te Vierhuizen heeft in haar leven [1883-1956] Groninger Volksverhalen verzameld; verkregen van vele personen, meestal eenvoudige lieden, vooral oude mensen, die haar aan een overvloed van materiaal konden helpen.  Ze schreef in 1916 het verhaal op van Bie t Melkpad:
Ollerom is n hail òld dorp. t Bestaait oet twei wieren. Op de westelke wier ston kerk, schoul, pasterij en t grootste dail van t loug. De aander wier is Azinga. Doar lag de börg en aan noorzied doarvan was vrouger n bos mit haile dikke bomen. Doar legt ook nog de boerenploats, dij bie de börg heurde. Dij boederij is aaltied n spoukhoes wèst, zolaang as mie heugen mag. Doar wazzen mènsken vermoord en doar zatten bloudvlekken op t schot, dij der nait weer òf wollen. Ten noorden van dij ploats wazzen twei galgekampkes, want doar mouten twei gerichten wèst hemmen, vot biet t Mèlkpad. Aan dat Mèlkpad woonde n haile kwoaje heks en onner de bomen doar zag men voak s nachts n haile troep katten. Dat wazzen heksen, dij doar jousterden en juchterden.

In zijn Volksverhalen en Legenden [1843] heeft Teenstra een aantal Ulrumer spookverhalen omschreven. Bij meer dan een daarvan is J.J. Beukema, de “olle baas bakker”, de oudste ouderling en medestander van ds. De Cock betrokken. Bij de gebeurtenissen rond 1834 heeft hij een belangrijke rol gespeeld, zodat Teenstra in het pamflet “Ulrum, zoo als het is” enz., zijn aanvallen mede op hem richt en zijn uiterlijke verschijning – hij spreekt van de kreupele Vulkaan, met bonte veelse kousen, korte manchesterbroek met losse pijpen zonder gespen, en een blaauwe slaapmuts op het hoofd – tot onderwerp van zijn spot maakt. Na een huwelijk van een halve eeuw weduwnaar geworden, hertrouwde hij vrij kort na het overlijden van zijn vrouw, op 70-jarige leeftijd, met een jong meisje van 20 jaar, Hilje Freerks Koster, dochter van Freerk Tjipkes Koster en Geertje Harms Hulshoff, allen geloofsgenoten. Dit huwelijk gaf aanleiding tot een aantal geruchten, waarvan Teenstra een dankbaar gebruik maakte, omdat hij daardoor de inhoud van zijn boek kon verrijken met enkele recente verhalen omtrent een “naloop” in zijn naaste omgeving, de verschijning van de schim van een mens, die na zijn afsterven nog op aarde blijft vertoeven en zich nu en dan aan de levenden vertoont. Dat hij de “fijnen” in dit spookverhaal kon betrekken, was koren op de molen van Teenstra. Hij vertelt:

“Zoo loopt er onder anderen nog heden (Julij 1840) te Ulrum een oude bakkersche, in leven de vrouw van de olle baas (J.J. Beukema), welke kort na het afsterven van zijne vrouw, eene nog jonge vrijster, ruim een halve eeuw na hem geboren, huwde. Dan, nu kon deze jonge vrouw, als ingedrongen plaatsvervang-ster, even min rusten als de overledene, waar deze haar nu voor het bed, waar deze vroeger sliep, zuchtende komt verschijnen, zwevende, met beide handen voelende langs de wanden der kamer, waardoor zij zoo bang en bevreesd is, als of de Duivel in haar binnenste huisvestte (en zoude dit niet het geval kunnen zijn?) althans zij vlugtte het venster uit en riep onlangs in den nacht een buurman, doch deze hoorde of zag niets. Een andere buurman, een voorbidder bij de Afgescheidenen, P.L., heeft deze naverschijning aan de waschtobbe zien staan, stijf op de beweging harer handen starende. Doch de grijze bakker slaapt, in deze Cock-pill, nu met zijn wijfje op een ander bed.”
Nog een voorbeeld. “Ook moet de kastelein Freerk Nienhuis, in 1839 alhier overleden, nog nu en dan (zoo als de fijnen zeggen) de ronde in het gemeentehuis van Ulrum doen, zijnde in dit huis overleden, kunnende wegens ijsselijke godslastering niet rusten, zoodat zijn zoon en opvolger in gemelde herberg voor een paar weken (Julij 1840) de buiten- en binnendeuren van dit Pandemonium heeft laten verzetten (inwendig zijn de deuren opzettelijk zeer onregelmatig, niet tegenover elkaar geplaatst)”.
Het beste middel om deze “naspoken”de toegang tot de deur te beletten was het verplaatsen van binnen- en buitendeuren, of een verandering van de wooninrichting, waardoor de spoken verdwaalden, de toegang niet meer konden vinden. Of, zoals Teenstra schreef: “Eene vertimmering van de deuren is altijd onfeilbaar, zooals men in het verlichte Ulrum proefondervindelijk bewezen heeft”.

Later nog het verhaal hoe (weer) de jonge “bakkersche” Hilje Freerks Koster in het holst van de nacht haar buurman Siewert Tonnis Luininga te hulp roept, die met een scherp broodmes gewapend het gehele huis doorzoekt, maar niets vindt. Toch schijnt het spook zich opnieuw te hebben vertoond. “Men had het duidelijk op muilen, zacht slepende, door de kamer horen gaan, de pulpitrum open doen en digt sluiten, zoodat de oude bakker en zijne vrouw Hilje niet alleen de westerkamer met slapen hebben verlaten, maar in een ander vertrek reeds eenen haard hebben laten timmeren”.

De verschijningen brengen een algemene onrust in de buurt van bakker Beukema te weeg. Verschillende omwonenden menen soms een witte gedaante in de tuinen te zien zweven, opkomende langs een droge greppel tussen de erven van bakker Beukema en de “ziener en voorbidder Pieter Luit, een man die ongemeen hardhorig en bijziende is en dus als half doof en blind mag worden beschouwd, eene eigenschap aan de fijnen eigen” enz. De publieke belangstelling, gepaard met bijgelovige vrees, neemt zienderogen toe en tot midden in de nacht schoolt een grote groep gelovigen en ongelovigen bijeen, om het spook te zien verschijnen. Inderdaad gebeurt dit; het veroorzaakt een algemene schrik en verwarring en in paniek stuift de menigte uiteen, met de twee mannen die het spook zouden aanspreken, de landbouwer S. Luininga en de timmerman Meerten Rozema, vooraan. Later bleek dat het gehele gerucht veroorzaakt werd door Harmannus Timans, zoon van Harm “wever”, die met een hemd over zijn kleding, geholpen door een vriend, de boel eens op stelten wilde zetten.
Het is eigenaardig, schrijft Van Weerden, dat ook na dit tumult de geruchten over de verschijningen bleven aanhouden. De schim van Attje Jans Huizinga, de eerste vrouw van “olle baas” scheen nog geen rust te kunnen vinden. Het was niet omdat de bakker al zo kort na haar dood weer hertrouwd was, maar omdat zij haar gouden oorijzer aan haar kleindochter Attje beloofd had en de olle baas het niet wilde afgeven.

JT
bronvermelding:
Nederlandse Volksverhalen, M.D. Teenstra.
Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.

 



Vorige pagina: Andere namen 2 Volgende pagina: De snik