Print deze pagina

Andere namen

In eerdere artikelen kon u lezen over dominee Hendrik de Cock en boer/ambtenaar /wereldreiziger/schrijver Marten Douwes Teenstra. Tijd om u voor te stellen aan nog enkele personen die een rol speelden in het Ulrum van 1834.

Van Weerden heeft in zijn boek Spanningen en Konflikten alle 137 ondertekenaars van de Akte van Afscheiding nader benoemd. Uiteraard zullen we ze hier niet allemaal herhalen. Enkele daarvan wel (in volgorde van ondertekening van de Acte):

1. Jan Jakobs BEUKEMA 1766-1850, “olle boas bakker”, ouderling, broodbakker van beroep en eigenaar van verschillende stukken los land. Hij behoorde tot een in het westen van De Marne zeer geziene familie, van welke verscheidene tot de boerenstand behoorden. In 1786 huwde hij met Attje Huizinga die in 1835 stierf. Hij hertrouwde het volgende jaar, op 70 jarige leeftijd met de meer dan 50 jaar jongere Hilje Freerks Koster (zie nr 65).

2. Kornelis Jacobs BARKEMA geb. 1779, ouderling, schoenmaker, gehuwd te Ulrum ± 1785 met Anje Sigers Bos, later met Klaassien Klasen van Zwol (nr 106). K.J. Barkema was in 1831 en 1833 notabel.

3. Klaas Alles VAN DER LAAN, geb. ±1793, diaken, verver en glasmaker, gehuwd. Hij bood  op 26 november 1834, tezamen met Simon Sluiter (nr 12) Z.M. koning Willem I een adres aan i.v.m. de vervolgingen te Ulrum.

4. Duurt Pieters RITSEMA 1795-1971, diaken, landbouwer in De Klei. De ouders van zijn vrouw Hilje Alberts Zantinga waren Doopsgezind. Zij ging (daarom?) niet mee met de Afscheiding. Hun kinderen geb 1828, 1829, 1832 en later 1839 wel. D.P. Ritsema was de eerste ondertekenaar van het Rekest aan Z.M. de Koning over de schorsing van ds De Cock.

8. Klaas Pieters RITSEMA 1800-1851, dagloner, gehuwd. Hij was mede verantwoordelijk voor de wanorde in de kerk op 19-10-1834, waarvoor hij werd veroordeeld tot 1 maand cel en 8 gulden boete +  kosten. Ds De Cock kreeg 3 maanden cel en ƒ 150 boete. Ritsema speelde in het begin van de Afscheiding een zekere rol, maar trad in latere jaren niet meer op de voorgrond. In 1834 stelde hij samen met ‘afgezette ondermeester om der waarheid’ Douwe van de Werp een kleine brochure op waarin hij het verval van de kerk en zijn eigen krachtdadige bekering beschreef. In 1843 verklaarde Ritsema niet meer tot de gemeente te behoren, maar tot de “Zwolsen”. Na herhaalde samensprekingen en censurering is hij, wegens zijn “ketterse gevoelens” van de Chr.Ger.Kerk afgesneden. Zijn vrouw Wietske Klasens van Dijk was niet meegegaan met de Afscheiding. Na zijn dood in 1851 liet zij haar zoon Betto in de Hervormde Kerk dopen.

10. Klaas Pieters KUIPENGA geb.1763, weduwnaar. Hij heeft een tijdlang als landbouwer gewoond te Vliedorp. Van hem was de uitspraak “indien hij ook maar ééne zucht tot zijne zaligheid moest toebrengen, het dan voor hem eeuwig verloren was”. Dit was voor ds De Cock een richtinggevend woord, wat zijn latere inzichten zou beïnvloeden.

12. Simon Klasens SLUITER geb. 1797, stro en rietdekker, gehuwd. Hij was een zoon van Klaas Eisses Sluiter, sleutelbewaarder en klokluider. S.K. Sluiter werd tweemaal naar Den Haag afgevaardigd. Op order van de Kerkeraad der Gereformeerde gemeente van Ulrum moest hij een paar verzoekschriften aanbieden aan Z.M. de Koning. Hij werd echter niet toegelaten.

16. M.S. ROSEMA. Hij behoorde mede tot de ondertekenaars van de petitie aan Z.M. de Koning van januari 1834. Mogelijk is hij timmerman Meerten Rozema die in Teenstra zijn Volksverhalen en Legenden genoemd wordt in verband met spokerij in Ulrum.

20. Frouwe VENEMA 1803-1889 Echtgenote van ds De Cock, door Teenstra omschreven als een helleveeg  etc.

24. Mattheus BERGHUIS Verm. Teis Jakobs Berghuis, geb ± 1807, aldus Van Weerden. Hij noemde zich waarschijnlijk ook Tijs Jakobus Berghuis, bij het 2e Bataillon Groninger landelijke Schutters 2e Compagnie, in een brief die ds De Cock voor hem aan Z.M. de Koning schreef.

28. Pieter Kornelus LUIT ± 1801-1847, dagloner. Hij gaf, vermoedelijk met hulp van anderen, een vlugschriftje uit met de titel “Bekeeringsgeschiedenis en verdere leiding Gods van P.K.Luit, dagloner te Ulrum”. In Volksverhalen en Legenden strooit Teenstra kwaadaardige spot over hem uit. Na het overlijden van zijn 1e vrouw trouwde hij 6 weken later met Sietje D. Buining. Teenstra noemt haar in 1840 Sietje D. Jut wat waarschijnlijk een spotnaam was.

30. Sieuwert LUNINGA, landbouwer in de Klei, geb. ± 1792. Hij vergezelde De Cock gedurende het eerste deel van zijn reis in april/mei 1834 naar Den Haag. Op zijn boerderij verstoorde de koopman Van Metsen in 1835 door luid geschreeuw een samenkomst waar De Cock voorging.

38. H.G. KLATTER, geb ± 1765, veearts. Volgens Teenstra  een kwakzalver. Voor ‘zinkings in de knie’ zou hij hebben aangeraden een zwarte kat te slachten, de buik te openen, en deze met de warme ingewanden op de knie te binden, en dezelve hierop zoo lang te houden, totdat er maden in komen, door welke diertjes de ziektestof geheel uitgezogen wordt.

42 Harm Douwes HULSHOFF, geb 1804, landbouwer op de Hucht. Hij ondertekende mede het rekest jan.1834. Van 1837-1844 was hij ouderling bij de Herv.Gem. van Ulrum. Hij is dus weer teruggekeerd tot de Herv.Kerk.

47. Geertje Harms HULSHOFF, weduwe van Freerk Tjipkes Koster en daarom ook wel weduwe Koster of, naar het beroep van haar vader en haar man, Geertje Kuipers genoemd. In haar woning/kuiperij/herberg werd de Acte van Afscheiding ondertekend. Voor het beschikbaar stellen van haar woning na de schorsing van ds De Cock voor het houden van bijeenkomsten werd zij op 17-10-1834, met ds De Cock, veroordeeld tot een geldboete van ƒ 50,-. Een enorm bedrag in die periode.

65. Hilje F. KOSTER, dochter van weduwe Koster (nr 47) Zij trouwde met de 50 jaar oudere Beukema (1).

67. Martje Geerts OOSTERHUIS, geb 1804, gehuwd. Haar huisje stond naast de pastorietuin. Zij verschafte Frouwe de Cock-Venema onderdak, toen deze uit de pastorie werd gezet.

76. Vrister Douwes BRUGMA, geb 1809, gehuwd. In 1852 is hij met vrouw en kinderen afgesneden wegens nalatigheid in de vervulling der Godsdienstplichten.

78. Rieuwert Uges BATEMA, 1806-1858. Hij werd in 1850 wegens slechte levenswandel van de gemeente afgesneden.

90. Frouwke MENNES, geb 1835, ongehuwd met 3 kinderen. In het Bev.Reg. 1850 staat zij als gehuwd en (weer) als Ned.Herv. te boek. .

104. Trijntje Klasens VAN ZWOL gen 1815. Echtgenote van Cornelius Theodorus Lubbers,  Ned.Herv. Predikant te Ulrum, opvolger van ds. H. de Cock. T.K. van Zwol is dus weer Hervormd geworden.

129. Martje Jans VOET geb 1776. Volgens Bev.Reg. 1850 was ze Ned.Hervormd, dus vermoedelijk tot de oude kerk teruggekeerd.

Bij een aantal ondertekenaars (oa. 26 t/m 28) is door ds De Cock na hun naam toegevoegd “niet kunnende schrijven maar zulks in de opene vergadering autoriserende en verzoekende”. Niet iedereen kon lezen en schrijven in die dagen. Van Weerden merkt op dat een aantal ondertekenaars van het in jan. 1834 ingediend rekest aan Z.M. de Koning (om de schorsing van De Cock ongedaan te krijgen) niet meer op de Acte van Afscheiding van oktober 1834 voorkomen. Opvallend noemt hij het ook dat onder de namen van de Acte van Afscheiding die van dominee De Cock zelf ontbreekt.

Duidelijk wordt ook dat de Afscheiding niet alleen een tweedeling binnen het dorp gaf; ook binnen het gezin was er verschil van inzicht (zie oa 4 en 8). Verder blijkt bij diverse ondertekenaars dat zij na korte of langere tijd weer zijn teruggekeerd tot de Hervormde Kerk.

Al met al dus echt een tijd van Spanningen en Conflicten - zoals Van Weerden het zo typerend omschreef - die ook na 1834 nog lange tijd hun nawerking hebben gehad. Zoals we eerder al schreven heeft het M.D. Teenstra tot het einde van zijn leven bezig gehouden.

Bij een volgende aflevering geven we een overzichtje van de collega-predikanten uit De Cock zijn tijd. Ook van de ingekwartierde soldaten weet Van Weerden wat te vertellen.

JT

bronvermelding:

Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.



Vorige pagina: MD Teenstra 2 Volgende pagina: Andere namen 2