Print deze pagina

Andere namen 2

Zoals in een eerdere aflevering toegezegd hierbij een overzicht van de collega-predikanten uit ds. De Cock zijn tijd.

Alphonse Pierre Antoinne DU CLOUX (1808-1890). Was van 1832-1837 predikant te Vierhuizen waaronder ook Zoutkamp viel. Van hem kwam in november 1833 de aanklacht tegen ds. De Cock voor het dopen van kinderen uit andere dorpen. Na 1837 veranderde hij van inzicht en werd vanaf dat ogenblik een strijder voor het herstel van de zuiver Gereformeerde beginselen binnen de Herv.kerk, die hij trouw bleef.

Nicolaas SMITH (1768-1845) sinds 1806 predikant te Leens. Ds. Smith werd door de Ring Leens tijdens het conflict met ds De Cock aangewezen als consulent te Ulrum. Hij kon, na meerdere malen op 12-10-1834 ds. Scholte de preekstoel te hebben geweigerd, met moeite uit de kerk worden geleid. In het proces-verbaal wijst Smith als daders van de mishandeling aan Freerk Hendriks Stoit, boerenknecht, die de deur van het doophok met geweld tegen het lichaam van de predikant had geduwd, en een blauwverver uit Grootegast, met name De Wit, die hem een stoot met de elleboog tegen de borst had gegeven. Wie hem in de dijen had geknepen, wist hij niet.

Teenstra beschrijft de gebeurtenis als volgt: “werd de 66-jarige grijsaard zóó gedrongen, geknepen en gestooten, dat hij bijna bezweek en een plaatselijke hulpband hem op het lijf aan stukken brak. In dat kritieke oogenblik hielpen echter eenige meer bezadigde mannen ds.Smith uit het gedrag en uit de kerk, en op mijne uitnoodiging vergezelde hij mij, op mijn arm leunende naar Noord-Indië (Teenstra zijn woning, ongeveer 3 minuten lopen vanaf de kerk), alwaar de bijna ademlooze man door de menigte met rust gelaten werd; echter had hij door persing op de buik een aanhoudende aandrang op het water”.

Jillardus VAN DER HELM (1778-1857), sinds 1810 predikant te Niekerk. Volgens rooster had ds Vd Helm consulent voor Ulrum moeten worden na de schorsing van De Cock, hij was ook jonger dan ds Smith, maar voor de waarneming schijnt men Smith als meer geschikt te hebben beschouwd. Na Vd Helm zijn overlijden ontstonden in de gemeente Niekerk-Vliedorp grote moeilijkheden over de opvolging.

Jodokus Henricus WARMOLTS (1800-1835), in 1834 predikant te Wehe/Zuurdijk. Hij was modern gezind, heette “extra naar het nieuwe”. Op 1-2-1835 werd een door hem geleide kerkdienst te Zuurdijk verstoord door enkele Houwerzijlster dagloners. Het moet hebben bijgedragen tot zijn dood enige maanden later.

Johannes SNETHLAGE (1757-1840), sinds 1810 predikant te Pieterburen-Wierhuizen.

Jacobus Crantzen THEMMEN (1765-1839), sinds 1816 predikant te Hornhuizen-Kloosterburen.

Beiden werden na het schorsingsbesluit van De Cock 19-12-1833 voor emeriti van de Ring Leens verklaard.

L. MEYER BROUWER 1786-1872, sinds 1829 predikant te Uithuizen

Dr. G.BENTEM REDDINGIUS 1774-1844, predikant te Assen sinds 1809, lid van de Algemene Synode.

Tegen hen was de brochure van ds De Cock “Verdediging van de ware Gereformeerde Leer en van de ware Gereformeerden, bestreden door twee zoogenaamde Leeraars, of De Schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, Gereformeerd Leeraar te Ulrum” gericht. De brochure telt, buiten de voorrede, 68 bladzijden waarvan de 1e helft tegen ds.Brouwer en de 2e tegen ds.Reddingius is gericht. De toon van ds.De Cock is fel en het woord laster en de afleidingen daarvan worden maar al te vaak gebruikt.

Dr.A.RUTGERS (1805-1884) in 1834 predikant te Breede (bij Warffum), vanaf 1837 tot zijn emeritaat hoogleraar te Leiden. Befaamd Calvijnkenner.

P. RUTGERS, broer van dr.A., predikant eerst te Breede, vanaf 1828 te Baflo-Raskwerd.

J.H. WARMOLTS, zie hierboven.

Dit drietal vormde de commissie van onderzoek die op 18-11-1833 een bezoek bracht aan ds. De Cock, daarvan verslag uitbrachten waarna ds. De Cock op 19-12-1833 voor het Classikaal Bestuur te Middelstum moest verschijnen.

Vervolgens hieronder nog enkele personen die weliswaar niet allen uit Ulrum kwamen, maar die binnen de sfeer van “Ulrum 1834” ook zeker genoemd moeten worden.

Meerten Jans NIEWOLD, dagloner uit Houwerzijl. Op 1-2-1835 stuurde hij met de woorden “Kom af” ds Warmolts van de preekstoel te Zuurdijk. Het kostte hem en Jan Klasens Lap als hoofdaanleggers 3 maanden gevangenisstraf en een geldboete van ƒ 150,-. Op 15-3-1835 riep hij de woorden “Wolf, kom af” naar ds Du Cloux tijdens een kerkdienst te Ulrum. Daar werd hij echter door enige militairen hardhandig uit de kerk verwijderd. Het kostte hem nu 6 maanden gevangenisstraf.

Derk HOEKSEMA (1799-1883) nam in 1839 zijn ontslag als schoolonderwijzer en koster te Zuurdijk om godsdienstige redenen (gezang-enkwestie). Hij vestigde zich te Ulrum als mulder, was in 1842, toen De Cock voor de laatste maal te Ulrum predikte, scriba van de kerkeraad. Hoeksema kocht in 1846 met H.D. Hulshoff en E.P. Ritsema een huis met hut, erf en tuin, voor de Afgescheiden gemeente.

Douwe VAN DER WERP, schoolmeester te Vliedorp/Houwerzijl. Hij was een van de voornaamste medestanders van De Cock. Door invloed van prof.Hofstede de Groot, tevens schoolopziener, werd hij om zijn houding en optreden ontslagen.

Harmannus J. BAZUIN, landbouwer op de Houw, burgemeester van Ulrum 1832-1846. Hij was in 1834 ziek en werd vervangen door:

Jan Klasens LOOTS, 1e assessor/waarnemend burgemeester

Hendrik J. ZIJLMA, landbouwer op het Gansehuis, lid van de gemeenteraad Ulrum in 1834. Hij maakte als oudste raadslid kans als loco-burgemeester te moeten optreden toen burgemeester Bazuin en de assessoren Loots en Rijtma door ziekte dreigden te worden uitgeschakeld als overheidspersoon in het conflict tussen De Cock en de NH Kerk.

Albert J. BUIRINGE, schoolmeester te Ulrum. Hij verklaarde in de enquête 1828 dat in Ulrum geen bijgelovigheid heerste (zie deel 12).

Freerk NIENHUIS, kastelein. Teenstra schrijft in zijn Volksverhalen dat na zijn overlijden in 1839 zou in 1840 zijn zoon de deuren heeft laten verzetten om spokerij te voorkomen (deel 12).

Jan  T. KOSTER, veldwachter. Hij kreeg op 19-10-1834 hulp van zijn collega’s uit Leens, Kloosterburen, Baflo, Warffum, Usquert en Kantens alsmede van de gerechtsdienaar G.K. van Polen uit Appingedam.

Ook van de in 1834/1835 in Ulrum ingekwartierde soldaten weet Van Weerden wat te vertellen:

Op 25-10-1834 kwam de 1ste Kompagnie van het 1ste Batteljon der 10de Afdeeling infanterie, (hebbende gedurende het beleg op de citadel Antwerpen gelegen) ruim honderd man sterk onder bevel van Kapitein VRIJ binnen marcheren; - en het laatste gedeelte dier Kompagnie trok onder bevel van de luitenants Peperkamp en BACHMAN den 13 Julij 1835 naar de stad Groningen terug.

Uit familieoverlevering is nog bekend, zo schrijft Van Weerden, dat A.E. Tebbens, landbouwer te Niekerk, vriendschapsbanden had aangeknoopt – zelf was hij ook oud-militair – met luitenant DE BRUIN, één van de hoofden van de te Ulrum gelegerde militairen.

De beruchtste militair van de te Ulrum ingekwartierden was “BIELMAN”, welke naam hij te danken had aan het dragen van een bijl. Bij de troep was er steeds maar één, die deze droeg. Bielman misdroeg zich voortdurend en werd dan tot straf in de Ulrumer toren opgesloten.

De commandant zelf, kapitein VRIJ, was met een oppasser bij Marten Douwes Teenstra ingekwartierd. Evenals Teenstra was hij in Indië werkzaam geweest, hij diende toen als “luitenant bij de kolonialen”. In Indië hadden ze elkaar al meermalen ontmoet.

Het is dan ook zeer waarschijnlijk, aldus Van Weerden, dat deze kapitein Vrij voor Teenstra als berichtgever heeft gefungeerd, op basis waarvan laatstgenoemde op 28-10-1834 het beruchtmakende pamflet “ Ulrum zoo als het is en deszelfs toenemende volksbewegingen in October 1834” heeft geschreven. Ook kerkvoogd Abel Jans SLEUVER en assessor Jan Klasens LOOTS worden door Van Weerden als berichtgever benoemd. Beide behoorden, samen met Teenstra, tot de getuigen in het proces tegen ds. H.P. Scholte, gevoerd voor de rechtbank te Appingedam.

JT

bronvermelding:

Spanningen en Konflikten, J.S. van Weerden.




Vorige pagina: Andere namen Volgende pagina: Bijgeloof